In het negende visioen maakt Hadewijch duidelijk dat de minne, de liefde tot God, niet enkel uitmondt in een gelukzalige eenwording (een genieten van God). Maar dat juist deze ervaring van eenwording haar rede op zo’n wijze wordt verlicht, dat de ziel er zich bewust van wordt dat de eenheid met God nooit voltooid kan zijn. Het visioen gaat dus over de verhouding minne en rede. Hadewijch hecht dus grote waarde aan het verstandelijk denken, juist als gelovige vrouw.

Dit visioen ontvangt Hadewijch op het feest van Maria geboorte (8 september). Tijdens de metten, de nachtwake heel vroeg in de morgen, ziet Hadewijch met haar innerlijk oog een hemelse koningin. Tijdens de metten van deze feestdag werden de beginwoorden van het Hooglied geciteerd: “Hij kusse mij met de kusse van zijn mond.” (Hooglied 1,2). Uit Psalm 45 werd toen gezongen: “De koningin staat aan uw rechterhand in een gewaad doorwerkt met goud, met bonten tooi ommanteld.” Een gekroonde koningin verwijst in de traditie naar de goddelijke wijsheid. In de twaalfde eeuw werd Maria voorgesteld als een Koningin van de Wijsheid. Zij werd afgebeeld als de magistra magistrorum.

(Werkvertaling Adrie Lint)

(1) Ik was op het feest van Maria-Geboorte bij de metten en na de drie schriftlezingen werd mij in een visioen iets wonderlijks getoond. Mijn hart was tevoren geraakt door de woorden van minne die men daar voorlas uit het Hooglied, waarbij de gedachte in me opkwam aan een volmaakte kus. Kort daarna, tijdens de tweede nocturne, zag ik in mijn visioen een koningin op mij toekomen. Ze was gekleed in een gouden gewaad. En dat gewaad zat helemaal vol ogen. En al die ogen waren helemaal doorzichtig als vurige vlammen en tegelijk als kristallen. En de kroon die ze op het hoofd had, die bestond uit evenveel kronen, de ene boven de andere, als er ogen waren op dat gewaad. Het aantal daarvan zal je horen wanneer zij het zelf meedeelt.

Een koningin in goud gewaad. Zo werd Maria verbeeld in de Apocalyps. Zo werd ook God als Wijsheid, Sophia, Sapientia verbeeld. In het vervolg blijkt deze koningin het zinnebeeld te zijn van de rede, het edelste deel van de ziel. Alledrie, Goddelijke Wijsheid, Maria en de rede van Hadewijchs ziel zijn van goddelijke, koninklijke waardigheid (Veerle Fraeters). Haar ogen verwijzen naar engelen-ogen. Cherubijnen hadden in de voorstelling van die tijd vleugels met ogen. Haar kronen staan voor haar soevereine macht. Maar ook spirituele macht werd voorzien met een kroon. Een soort tiara dus, een meervoudige kroon..

(15) Voor de koningin liepen drie meisjes. Een droeg een rood gewaad en had twee bazuinen in haar handen. En ze blies op de ene bazuin en zei: ‘Wie niet naar mijn vrouwe luistert, die zal eeuwig doof zijn van zaligheid en zal nooit horen of zien de hoogste melodie en de wonderen van de overweldigende minne.’ En de andere bazuin klonk en ze zei: ‘Wie zich haast om de wegen te gaat die mijn vrouwe kiest, zal het rijk van de minne bemachtigen.’
En het andere meisje droeg een groen gewaad en zij had twee palmtakken in haar handen die elk bezegeld waren met een boek. Daarmee veegde zij het stof van de dagen en van de nachten, van de maan en van de zon, af van haar vrouwe, want die wilde daar geen stof op krijgen van wat dan ook.
Het derde meisje had een zwart gewaad aan en had zoiets in haar hand als een lantaarn vol daglicht, waarmee haar vrouwe de diepte van de grond kon zien en de hoogte van het hoogst bereikbare.

De meisjes komen ook voor in Psalm 45 zoals deze in de Middeleeuwen vertaald was. De kleuren van hun gewaden, rood, groen en zwart (of blauw) hebben ook symbolische betekenis. Rood staat voor de vreze Gods (=eerbied voor God). Groen staat voor onderscheid (discretio). En blauw of zwart, staat voor wijsheid (sapientia). Waarom alleen deze kleuren? Misschien ook omdat deze kleuren in die tijd gangbaar waren voor schilderwerk. Andere kleuren waren moeilijker te verkrijgen. De Palmtakken die zij dragen zijn het attribuut van de martelaren. De boeken verwijzen naar de evangelisten.

Het eerste meisje bazuint dus de diepe wijsheid dat minne en rede allebei nodig zijn. Wie enkel in de minne blijft steken, zal zijn ziel verdoven. Er is ook wijsheid nodig om de minne te plaatsen. Het beeld van de wijsheid dat de stof van de tijd veegt, is een gangbaar bekend beeld. Tijd creëert stof.

De diepte van de grond is een term die verwijst naar de grond van de ziel. In de diepste grond is minne te vinden. Daar huist Gods Liefde.

(37) De koningin kwam snel met al haar kracht op mij af en zette haar voet op mijn keel en riep met een schrikbarende stem: ‘Weet jij wie ik ben?’
En ik zei: ‘Jazeker, jij hebt mij zo lang verdriet en pijn gedaan; jij bent de rede van mijn ziel en de meisjes die u luister bijzetten zijn familie van mij. Die op de bazuin blaast, die is mijn heilige vrees die mij onderzocht heeft of ik volmaakt ben in alle aspecten van de minne. Het tweede meisje is het vermogen om onderscheid te maken tussen jou en de minne. Zij heeft de wil, het rijk en het vermogen van jullie beiden onderzocht. Het derde is de wijsheid waardoor ik jouw macht en jouw werken in de minne heb leren kennen. En waardoor ik God alleen ken in God, en God als alle dingen in God, en elk ding afzonderlijk als God, wanneer ik er in de geest mee  verenigd ben.’

De Koningin zet haar voet op de keel van Hadewijch; vergelijk Maria die de slang van Eva onder haar voet vertrapt. Hadewijch verpersoonlijkt kwaliteiten en eigenschappen van mensen. Het verstand wordt de Rede in persoon. Daarom kan zij zeggen dat de Rede haar pijn doet, omdat zij weet heeft van de zalige eenwording. De persoon van de Heilige Vrees is de vreze Gods, de eerbied die men voor God heeft, dus niet de angst! Discretio is de verpersoonlijking van het verstandelijk vermogen om de dingen te zien zoals God ze ziet. Wij zouden zeggen: het onderscheid maken. Wijsheid is het vermogen om God te zien zoals God is.

Nu komt de verrassende wending. Wie is er getooid met het gewaad van de Koningin?

(56) Toen zei ik: ‘Welke boodschap breng je me nu?’ En zij zei: ‘Het is waar. Met dit gewaad vol ogen ben jij getooid. Met hemelse eer heb je mij bekleed. Van die ogen zijn er duizend in getal, van elke deugd het volle getal. De vurigheid van de ogen komt, bij elk van hen door de kennis van de minne. De kristallen transparantie is van het vergaan en het honderdvoudig versterven in een lijden dat in zicht geeft. En elk oog van kennis van de minne en van lijden, had een kroon die daarmee overeenkwam. Dus had elk oog een machtige kroon.’
Toen rede mij op deze wijze tevreden had gesteld, gebood ze elk lid van mijn gezelschap in me op te nemen. En ik nam hen goed in mij op. Toen werd rede mij onderdanig en zij ruimde haar plaats.
En minne kwam en omving mij. En ik raakte buiten de geest en bleef liggen tot laat op de dag, verdronken in onzegbare wonderen.