Het veertiende visioen is minder visioen en meer reflectie op wat in de veertien visioenen wordt waargenomen. Hadewijch heeft ‘nieuwe kracht’ gekregen om niet te blijven steken in de genietingen van de Minne, maar om weer af te dalen naar het gewone leven van alledag. De tekst is daarmee ook een terugblik op het hele visioenenboek. Ook krijgen we beknopte informatie over andere visioenen van Hadewijch, die zij niet in dit boek heeft opgenomen.

Het veertiende visioen sluit aan op het dertiende. Alles komt nu tot een climax. Het begint met de constatering dat Hadewijch nog steeds leeft met een heftig verlangen (oerewoede). Om die onrust, ongedurigheid te overwinnen, heeft ze nieuwe kracht van God nodig.

(1) Ik was en ben nu nog zo vol van verlangen en onstuimige drift, dat ik meende en ook wel besefte, dat ik gewoon niet verder kon leven met die enorme ongedurigheid waarin ik was en nog steeds ben, tenzij God me nieuwe kracht zou geven. En dat deed Hij toen. God zij dank. De troon betekende een geweldige, nieuwe gesteldheid waarmee Hij mij op nog rijker wijze deelachtig wilde maken aan zijn enorme rijkdom dan ik tot dan toe was geweest. Ik was toen al, meer dan de doorgaans met de mensen het geval is, rijkelijk voorzien van vele deugden.

De troon brengt ons terug naar de beelden van het dertiende visioen. De troon staat voor de plaats die Hadewijch ooit zal innemen in het koor, de ruimte van Gods heiligheid. We zouden het ook bewustzijn, geestesgesteldheid, kunnen noemen, maar dan niet enkel intellectueel.

(10) Maar de macht die Hij mij toen gaf en die ik voorheen niet bezat, dat was een nieuw vermogen. Dat was een kracht die uit zijn eigen wezen kwam. Zij stelde mij in staat door te lijden zoals Hij en in Hem: om God te zijn voor Hem zoals Hij dat voor mij was toen Hij als mens voor mij leefde. Dit betekende dat ik de minne zou weten te dragen zolang als de minnegenieting mij ontbrak. Dat ik werkelijk de scherpe schichten zou kunnen verdragen die de minne op mij afschiet.

Er wordt steeds gesproken over een “Hij” of “Hem”. Veel onderzoekers zien hier Jezus Christus in. Toch blijft het opvallend dat Hadewijch zelf de naam niet invult. Daarom is mijn veronderstelling dat Hadewijch een veel opener Godsbeeld heeft. Met de “Hij” verwijst Hadewijch zeker naar Jezus Christus, maar niet expliciet. Ze verwijst in mijn beleving ook naar God die een Gezicht heeft.

Hadewijch ontvangt een onvoorstelbare geestkracht: om God voor Hem te zijn, zoals Christus dat voor Hadewijch was toen Hij als mens leefde. Hadewijch legt het verder uit: het betekent dat zij Gods Liefde zou behouden ook als er geen besef van vereniging met God zou zijn. Dan zou ze bestand zijn tegen de pijnlijke schichten van het heftig verlangen naar God.

(21) Die troon, dat was de hoogte van mijn unieke, uitverkoren leven. Dat hij er zo helder uitzag, dat was de pure afwezigheid van vele zonden waarin vreemden vervallen die Hij niet heeft uitverkoren om te zijn – God zij dank – wat hij mij laat zijn.
Ach, als ik bedenk wat God met mij wil en wat Hij aan mij, méér dan aan anderen, heeft gedaan, dan is het een wonder dat ik het uit kan houden, tenzij dan door de grote minne die alles vermag. Maar het blijft een groot wonder.
Als ik bedenk wat God met me wil en dat Hij mij verkiest boven alle schepselen die ik ooit zag, dan verwondert het me nog veel meer dat de mensen van nu – die Hij vergeleken bij mij zoveel onthoudt – mij nog zo lang laten leven en dat ze nog begrip tonen, geduld en erbarmen met me hebben, en me niet kwellen met steeds nieuwe kwellingen.
Daarbij komt nog dat God me zo veel lijden heeft beloofd om aan Hem gelijk te worden, dat ik voor de ogen van alle mensen en ook méér dan alle mensen moet lijden. Om hem voldoening te schenken en zelf als mens volmaakt te leven.

De nieuwe positie van Hadewijch in de heerlijkheid van God is bijzonder, heel helder. Dat zij dit heeft mogen zien, maakt haar sterk om haar leven met de orewoet uit te houden.

De gebruikte symboliek in deze tekst heeft verwantschap met in de Middeleeuwen bekende en gangbare beeldspraak rond Maria. Haar troon is de sedes sapientiae, troon der wijsheid. Maria wordt vaak afgebeeld als een vrouw naast Christus.

(43) Dat men alle dingen door het transparante van die troon kon doorzien, betekende dat dit wezen Gods eigen wezen was. Het betekende ook: al het werk dat ik van Hem kreeg of dat me door hem was opgedragen, dat vond en kon ik begrijpen vanuit het wezen van zijn wil. Daarbuiten vond ik nooit iets en in al mijn werken heb ik zijn wil dus nooit gemist. Dat ikzelf alle dingen door die troon kon doorzien, betekende dat al mijn werken in God waren, en dat mijn wil vrij en fier in Hem was, ondanks alle hevige verlangens naar Hem die mij toen overweldigden en ondanks een even grote ontzetting als die mij altijd in de liefde heeft beheerst en nog  steeds beheerst.

Hadewijch heeft in haar visioen gezien op welke troon zij in Gods Liefde mag zitten. Door de helderheid, transparantie, van de troon die voor Hadewijch in Gods Liefde bestaat, gaat zij anders tegen haar leven aankijken. Die heilige troon, voor haar bestemd, geeft haar het inzicht n vermogen om alles te doorzien. Het maakt Hadewijch ook vrij en fier om te doen wat zij te oen heeft in haar leven.

(57) En jou beminde ik zozeer. Ik kon en kan je geen ogenblik vergeten. Dat ik jouw dood en jouw ongenade in de minne zo met je meevoelde in ons stormachtig verlangen naar God dat ik daardoor samen met jou nog dichter bij God was – dat alles bezwaarde me zeer. Omdat jij zowel kind als mens was, precies daarom was die last nog zwaarder voor mij. Ook omdat ik voorheen zo machtig in de minne was en die minne mij vervolgens in de steek liet, zoals ze dat ook nu deed, daarom kreeg ik die hoge troon te zien, nieuw en transparant en juist versierd zoals passend is bij de grote Minnaar die Schepper en het ware wezen van de minne is.

Hadewijch gaat hier tegen een andere figuur preken, die ze met “jij”aanspreekt. Waarschijnlijk is hiermee een leerlinge van Hadewijch bedoeld. Hadewijch noemt haar meestal ‘kind(eren)’. Veerle Fraeters en anderen gaan er van uit dat ze hier een vriendin aanspreekt voor wie ze het visioen(-enboek?) geschreven heeft. Hadewijch moet erg veel van haar gehouden hebben. En zij wil haar leerlinge beschermen voor de verlammende werking van de orewoet.

(71) En midden op de nieuwe troon stond een zetel die gelijkstond aan de hoogste macht en aan de plaats waaronder alle  gelukzaligen zich bevinden. En op die troon zat de Schepper van onze minne en de Meester van de gerechtigheid een groot oordeel uit te spreken over de minne van hen die haar recht doen.

Gerechtigheid is de minne recht doen. Mooi omschreven, die verbinding van rechtvaardigheid en liefde. Recht spreken en oordelen zijn dus niet het uitspreken van oordelen over mensen, maar over de minne van mensen!

(77) En het aanschijn dat hij toen te zien gaf, was niet te zien en te verdragen voor de ogen van enig wezen dat nooit de menselijke en goddelijke minne als één wezen heeft ondervonden. Want zo iemand kan het niet bevatten en opnemen met de smaak van de ongescheiden eenwording: hoe het dan hen met de gehele godheid doorstroomt en als één geheel weer doorstroomt in de godheid.
Zo, in die vorm die het aanschijn toen had, had ik het tot op dat moment nog nooit gezien. Wel had ik het eerder gezien in dezelfde gedaante zoals de heilige Petrus en die bij hem waren het zagen op de berg Thabor. Ik had er heel lang naar verlangd om dat te zien vóór het mij gebeurde. Ik had horen zeggen dat de heilige Petrus vanaf het moment dat hij het had gezien, nooit meer lachte. Dat had ik er graag voor over gehad om hem voldoening te schenken; zo in verlangen voor hem en in angst oor hem weg te kwijnen en vooral niet te sterven maar juist voortdurend in verlatenheid ten onder te gaan.

Hadewijch heeft er lange tijd naar verlangd om Gods volle Aanschijn te zien. Dat voltrekt zich nu. Het moet zo’n indringende gewaarwording zijn geweest: ingrijpender dan de verschijning op de berg Thabor. Deze ervaring heeft haar totaal veranderd. Ze heeft nu een nieuwe kracht gekregen. Niet alleen nieuwe kracht, maar ook nieuwe inzichten. Ze weet nu hoe ze haar leven met leiden.

(95) Toen mij dit overkwam, kreeg ik er zo’n kracht door dat ik alles wat op mijn weg kwam gelijkmoedig kon verdragen: blijdschap en smart, lachen en huilen, ellende en verdriet verdroeg ik onder alle omstandigheden zonder verdriet. Allerlei gaven van genade ontving ik en sterke vermogens die de gaven van genade te boven gaan, zonder dat ik me daarop wilde beroemen. En verder kreeg ik ook allerlei machtige wonderen en werken. Er waren mensen die ik uit de zonde verloste of die ik uit de wanhoop verloste, of er waren doden die ik liet opstaan door middel van de kracht die God in mij wilde leggen – wat bij vier mensen is gebeurd.

Hadewijch herneemt zich weer en spreekt haar leerlinge voor wie ze de visioenen heeft geschreven weer toe. Zij vergelijkt zich daarbij met Jezus Christus. Hadewijch stelt zich hier, zoals ook op andere plaatsen gelijk met Jezus Christus. En dan heeft ze het over haarzelf die verenigd is met Gods Liefde.

(110) Ik maak het te lang, omdat jij graag hoort in wat voor omstandigheden iets zo mooi was of zo onmenselijk en zo gelijk aan het menszijn van God. Sinds die tijd bracht niets mij uit mijn evenwicht. En ik deed als God, die al zijn werken opdroeg aan zijn Vader, van wie hij ze gekregen had. En wat ik van Hem heb, dat kreeg ik door deze  gedaanteverwisseling en door andere vormen van verschijningen in visioenen, waarover ik je laatst schreef en al eerder heb geschreven.En door nog veel meer waarover ik je niet heb geschreven. Wat me trouwens spijt, omdat ik graag voldoe aan jouw wens. Juist omdat jij graag alles van me zou willen weten, spijt het me zeer dat je niet alles weet wat je weten wil.

(125) Zo heb ik eens in één nacht en één dag drie keer het onverdraaglijke, wondermooie aanschijn gezien van onze Minne die alles is. En elk aanschijn had daarbij de specifieke vorm die paste bij de specifieke gave die Hij me telkens gaf. Elke keer, toen en altijd, ontving ik nieuwe gaven die me lieten weten hoe ver en in welke gebieden ik was gekomen en opgeklommen.
Zo waren er ook vele, andere openbaringen, de geest van de profetie, het vermogen om te zien wat het wezen van de hemel, de aarde, het vagevuur en de hel is. En het inzicht in allerlei beschouwingen over het wezen van deze vier plaatsen. Ook het inzicht in de minne: hoe Hij onze minne is in zichzelf, en hoe Hij buiten zichzelf minne is in ons; hoe de minne op het ene moment doodt en op het andere moment heelt, en waarom zij de mindere verkiest en de meerdere verstoot. Hier laat ik het bij voor wat betreft al deze inzichten.

(145) Ik heb ook eens drie dagen en even vele nachten in het aanschijn gelegen van onze geliefde terwijl ik was opgenomen in de geest. Het gebeurde wel vaker dat het zo lang duurde. Ook als ik buiten de geest was, duurde het vaak zo lang dat ik voor mezelf en alle mensen hier in genieting met hem verenigd was en dan ervoer hoe Hij Zichzelf beleeft. Buiten de geest in Hem zijn gaat alles te boven wat men van Hem krijgen kan en wat Hij zelf bewerken kan, dan is men niet minder dan Hijzelf is.
Met uitzondering van de eenheidservaringen buiten de geest, vielen alle andere verschijningen in het niet bij het aanschijn van onze Geliefde dat ik op de nieuwe troon zag. Want elke andere verschijning die ik gezien had, paste bij de toestand waarin ik op dat moment verkeerde en deels ook waartoe ik uitverkoren was. Maar nu ik dit zag, was ik tot mijn eigen plaats gekomen, de plaats waartoe ik uitverkoren was: namelijk dat ik mens en God inéén zou weten te ervaren – wat geen mens ooit kan doen tenzij hij volledig is als God is en al wat degene was die onze minne is.
Die daar zat op de nieuwe troon, die ik was, zag er helemaal uit als een vreselijke, wonderlijke aanschijn.

Aan het einde van het Visioenboek geeft God Hadewijch een naam: “sterkste” en “moedigste”. Deze naam roept bij de leerlingen en bij ons de bekende verzen uit het boek Spreuken op: “Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?” (Spr. 31). In de Middeleeuwen was de sterke vrouw bij uitstek vrouwe Maria (Bernardus van Cleirvaux). Hadewijch identificeert zich hier ten volle met Maria.

(167) En toen sprak tegen mij een stem als een hevige donder die met alle geweld alles stil wil maken zodat men alleen haar zou horen. Die sprak tegen mij: ‘Jij, sterkste in elke strijd, jij hebt alles overwonnen en de gesloten eenheid geopend. Nooit werd die ontsloten door iemand die niet, via de inspanning en de angst in de minne, ervoer hoe ik God én mens ben. En omdat jij moedig als je bent, zo moedig leeft, en dus niet buigt, daarom heet jij ‘de moedigste’ en daarom is het terecht dat jij mij ten volle kent.’

(Werkvertaling Adrie Lint)