Het eerste visioen is meteen ook het langste van alle visioenen – vanwege de lengte geef ik niet het gehele visioen weer. Gelukkig is het overzichtelijk, met een heldere opbouw. Het visioen geeft als het ware een inleiding in de mystieke opvattingen van Hadewijch. Een engel leidt Hadewijch rond in een spiritueel landschap met allerlei bomen. Al lezende, komen we als vanzelf in een paradijselijk landschap. Het landschap van de ziel doet ons denken aan het eerste paradijsverhaal van Genesis. Misschien kunnen we dat ook lezen als een verhaal over het ontstaan van het landschap van de ziel?

 

De beeldspraak van verschillende bomen met hun betekenissen maakt duidelijk welke opvattingen Hadewijch over haar leven heeft. De bomen stellen de verschillende deugden voor. Van boom tot boom krijgt Hadewijch geleidelijk meer inzicht. Zij blijkt alle deugden te bezitten, op één na: de kennis van de mystieke liefde. Het is Christus zelf die haar hierover onderricht. Hij leert haar dat de eenheid met God tot stand komt in en door de navolging van zijn leven op aarde.

 

Hadewijch ontvangt het visioen de zondag na Pinksteren, feestdag van de Drievuldigheid of Drie-eenheid. Dit feest van Drie-eenheid werd in de tijd van Hadewijch toegevoegd als een hoogfeest aan de kerkelijke, liturgische kalender. Het visioen gaat dan ook uitgebreid in op de triniteit van God. Op deze zondag ontvangt Hadewijch in het geheim de heilige Communie. In de tijd van Hadewijch werd meestal maar één keer per jaar de Communie uitgereikt, met Pasen. Men hechtte dus veel meer waarde aan het ontvangen van Onze Heer. Zowel letterlijk als spiritueel! Als Hadewijch de Heer ontvangt, ontvangt Gods Liefde haar.

 

Regels 1 – 23: Inleiding (werkvertaling Adrie Lint)

(1) Het was op een zondag, week na Pinksteren, dat men mij Onze Heer in het geheim aan mijn bed bracht, omdat ik van binnen in mijn geest zo’n sterke spanning voelde, dat ik mijzelf uiterlijk niet voldoende in bedwang had om onder de mensen te komen. En die innerlijke drang was erop gericht om één te zijn met God en daarvan te genieten. Daarvoor was ik nog te jong en te onvolwassen. Ik had nog niet voldoende moeite gedaan en niet genoeg jaren geleefd voor zo’n hoge waardigheid, wat me daar toen duidelijk werd gemaakt en me nog altijd duidelijk lijkt. (15) Toen ik onze Heer ontvangen had, toen ontving hij mij bij zich en wel zo, dat hij mij met al mijn vermogens en totaal bevrijd van alles wat mij kon afleiden opnam om hem in éénheid te genieten. En ik werd gevoerd naar een soort weide, een open veld dat ‘de weidsheid van de volmaakte deugden’ heette. Daarin stonden bomen waar ik heen werd geleid. En hun namen en de betekenis van hun namen werden aan mij bekend gemaakt. (23)

(Toelichting:)

Het is een troonengel die Hadewijch over de vlakte begeleid. Van boom tot boom wordt uitgelegd welke de betekenis ervan is. De engel legt uit en Hadewijch verstaat het. In de Middeleeuwen was het bestaan van engelen vanzelfsprekend. In de theologie bestond een uitgewerkte engelenleer. Met name de opvattingen van Pseudo-Dionysius, een theoloog uit de vijfde eeuw, een grote rol. Hij bracht onder andere een ordening aan in de verschillende engelen. Hij deelde ze in volgens negen rangen: drie orden van drie soorten met een hiërachische verdeling. De belangrijkste engelen, de hoogste categorie dichtbij God, zijn de serafijnen. Dan volgen de cherubijnen en troonengelen. De middelste orde bestaat uit de heerschappijen, vorstendommen en machten. De laagste orde bestaat uit de krachten, aartsengelen en gewone (bescherm)engelen. De verschillende orden bevinden zich in steeds in engere cirkels rond God. Serafijnen en cherubijnen staan hierin het dichtst bij Gods troon.

In het Rooms-katholieke geloof gaat men er vanuit dat een mens vanaf de geboorte tot de dood omringd wordt door de bescherming en de voorspraak van engelen. Iedere gelovige wordt terzijde gestaan door een eigen engel (beschermengel of engelbewaarder) om hem als een behoeder en herder door het leven te leiden.

Ook in de Visioenen ziet Hadewijch hoe engelen haar behoeden en begeleiden op haar geestelijke weg. In het Eerste Visioen is het een troonengel (derde hiërarchie van boven) die haar de betekenis van de verschillende bomen in haar geestelijk landschap uitlegt. In de laatste visioenen zijn het serafijnen (de allerhoogste engelen) die haar begeleiden.

 

Regels 24 – 184 : Innerlijk landschap met zes bomen

Van boom tot boom ontvangt Hadewijch meer inzicht in haar mystieke weg en kennis. De eerste boom staat voor zelfkennis. De boom heeft een verrotte wortel, een stevige stam en een prachtige, maar zeer kwetsbare bloem. De verrotte wortel verwijst naar de broze natuur van de mens. De stevige stam naar de eeuwige ziel en de mooie bloem is de mooie gedaante van de mens die in een ogenblik kan vergaan. Zo heeft Hadewijch deze boom allegorisch verstaan.

De tweede lage boom heeft schitterende bladeren, maar deze kunnen niet gezien worden door een grote laag van dorre bladeren. Deze noom staat voor de zuivere nederigheid. De derde grote forse boom met weelderige groei en sterke takken verwijst naar de kracht van de volmaakte wil. De vierde boom is de gave van onderscheid (discretio). De gave van het onderscheid is het verstandelijk vermogen om de dingen te zien zoals God ze ziet. Telkens leest Hadewijch zelf de betekenis van deze bomen.

De vijfde boom bestaat uit drie etages. Het is de boom van de wijsheid. De verschillende etages van takken en bladeren verwijzen naar de verschillende deugden die met wijsheid te maken hebben.

(177) Toen leidde hij mij verder naar een plek waar wij een kelk vonden, helemaal vol bloed. En de engel sprak weer tegen mij: “Sterke vrouw, met sterke wil, jij die alle mogelijke en onmogelijke pijnen zonder erdoor gekwetst te worden en in liefdevolle kalmte doorstaat, drink!” En ik dronk: dit was de kelk van het geduld. Daar legde ik de gelofte af dat ik God altijd voldoening zou schenken met geduldige trouw. (185) Toen bracht hij mij naar het midden van de wijde vlakte waarin wij wandelden. Daar stond een boom met de wortels omhoog en de kruin naar beneden.

 

Regels 185 – 372 : Innerlijk gesprek

Dit moet de boom zijn van de kennis van God. De zevende boom heeft zijn wortels immers in de hoogte, bij God. Deze boom staat in het midden van haar geestelijk landschap, haar spirituele leven.

(188) Deze boom had vele takken. Van de onderste takken die de kruin vormden de eerste het geloof, de tweede de hoop waarmee de mensen beginnen. En de engel sprak weer tegen mij: “O meesteres, jij beklimt deze boom van begin tot einde, tot aan de onbegrijpelijke God. Begrijp dat dit de weg is voor de beginnelingen en die de volmaakten blijven gaan.” En ik begreep dat dit de boom was van de kennis van God, die men met geloof begint en in minne voltooit.

“Bekinessen Goeds” staat er letterlijk. Hier wordt veel meer mee bedoeld, dan alleen verstandelijke kennis. Mommaers (1979, 20) vertaalt veel omvatternder: “ervaring van God”. Hadewijch gaat het vooral om de persoonlijke beleving. Zij wil God smaken, proeven, beleven, ervaren. Ze geeft aan dat je met het geloof in God begint, maar dat je het met minne voltooit. Gods Liefde is geen geloofsdogma maar een persoonlijke ervaren!

(199) Daar bij die boom stond er nog een die ronde, brede bladeren had. En de engel sprak tegen mij: ‘Blijf hier als een gevangene tot degene die je hier ontboden heeft, je terugstuurt. En doorgrond zijn verborgen wil waarin hij jou wil laten genieten. Ik ga nu weg om jou te dienen in jouw geweldige dienst. Ik heb vandaag de opdracht gekregen jou onafgebroken te dienen tot je mij en de wegen waarlangs ik je geleid hebt ontgroeid bent, tot je die wegen zelf op volmaakte wijze kan volgen en de hoge verborgen raad kunt bevatten die onze grote, machtige God je zo meteen zal laten weten. Ik ga weg om je reine lichaam te behoeden in de edele waardigheid waarin ik het gevonden heb en wil houden.’ En toen sprak hij: ‘Keer je af, weg van mij, en je zal diegene vinden die je altijd hebt gezocht en om wie je je van iedereen op aarde en in de hemel hebt afgekeerd.’

Hadewijch keert zich om en ziet nu beelden die erg gelijken op het boek van de Apocalyps 4, 1-10. Deze tekst wordt voorgelezen op de feestdag van de Drie-eenheid, de dag waarop Hadewijch dit visioen krijgt (Willaert 1996, 169-170). Ook Johannes wordt op een troon gezet in de hemel.

(217) En ik keerde mij af van hem en ik zag een kruis voor mij staan dat van kristal leek, maar helderder en witter dan kristal. Daar doorheen kon men een grote wijdheid zien. En voor dat kruis zag ik een zetel staan, die op een schijf leek en er helderder uitzag dan de zon in haar hoogste stand. En onder die schijf stonden drie zuilen. De eerste zuil leek van brandend vuur. De tweede leek van edelsteen die topaas heet. Die heeft de aard van goud en bijna de helderheid van lucht en hij heeft de kleuren van alle andere stenen. De derde leek van edelsteen die amethist heet en die een paarse kleur heeft, bijna die van de roos en het viooltje. En midden onder die schijf tolde een draaikolk zo angstaanjagend rond; dat was zo ijselijk om te zien dat hemel en aarde erdoor vervuld moesten worden van verwondering en angst.

De angstaanjagende draaikolk (“wyeel”) verwijst bij Hadewijch meestal naar de angstwekkende liefdes-eenheid die de goddelijke personen met elkaar genieten. De draaikolk wordt ook wel vergeleken met een ontzagwekkende afgrond, waar de minne voortdurend uit voortkomt en zich weer in terug beweegt. Het twaalfde visioen begint met een beschrijving van deze draaikolk. Op de draaikolk zetelt het Aanschijn van God. Uiteindelijk wordt Hadewijch ook zelf verenigd met dit Goddelijk Aanschijn. Hadewijch schrijft: “In die diepte zag ik mijzelf verzwolgen. Daar ontving ik de zekerheid dat ik in deze gedaante opgenomen was in mijn geliefde en mijn geliefde ook in mij.“(12,150)

(236) De zetel die op een schijf leek, dat was de eeuwigheid. De drie zuilen waren de drie namen waarmee de ongelukkigen, die ver van de minne verwijderd zijn, hem die liefde is aanduiden. De zuil die op vuur lijkt is de naam van de Heilige Geest. De zuil die van topaas lijkt is de naam van de Vader. De zuil die op amethist lijkt is de naam van de Zoon. De diepe draaikolk die zo vreselijk donker is, dat is de goddelijke genieting in zijn verborgen stormen. (246). Op die machtige plaats zat degene die ik zocht en met wie ik verlangde in genieting één te zijn. Zijn gestalte was niet in woorden uit te drukken. Zijn hoofd was groot en wijd met witte krullen en gekroond met een kroon die eruit zag als de edelsteen sardonius, die drie kleuren heeft: wit, zwart en rood. Zijn ogen waren wonderlijk om te zien, onuitsprekelijk: ze trokken alles met minne naar zich toe. Daar kan ik niets van onder woorden brengen. Want de onmeetbaar grote schoonheid en de overzoete zoetheid van dat heerlijke, wonderlijke gelaat maakten het voor mij onmogelijk om hem in woorden met iets te vergelijken. En mijn geliefde gaf zichzelf zo aan mij dat ik hem kon begrijpen en voelen. Maar toen ik hem zag, viel ik voor zijn voeten neer. Want ik besefte dat ik de hele weg naar hem toe was geleid, terwijl ik nog zoveel had te doen om daar naartoe te leven.

Hadewijch vindt degene die ze zo sterk gezocht heeft, waar ze zo intens naar verlangd heeft. Eindelijk dus! Maar wie is diegene, dan wel. Uit de tekst kunnen we opmaken dat het hier om Jezus Christus gaat. Opvallend is wel dat zijn naam bijna niet genoemd wordt. Voor de mystica Hadewijch vloeien de beelden van Jezus Christus en van de Minne vaak ineen. Er blijkt niet zo’n duidelijk onderscheid tussen hen te zijn.

(265) En hij sprak tegen mij: “Sta op. Want je bent al in mij opgestaan zonder begin, volledig vrij en je bent niet gevallen. Want je hebt ernaar verlangd om één met mij te zijn en daar heb je al het mogelijke en onmogelijke voor gedaan. En omdat je in zo’n storm van onstuimige hartstocht verkeert en ik je heb beloofd om één met jou te worden, maar ook om de zware taken die je openlijk hebt uitgevoerd waar je maar dacht dat het volgens mijn wil was en om je verstandige werken, heb ik je die troonengel gestuurd. Die wijs is om te weten hoe hij degene die het echt wil tot de volmaaktheid kan leiden. Die vond jou innerlijk zo goed toegerust, dat hij je meteen langs alle wegen heeft geleid die hij je als aan een kind had moeten wijzen. Want hij gaf je de verheven namen die je in mijn ogen hebben gesierd. Nu zal ik je laten weten wat ik van je wil.” (281)

Nu krijgt Hadewijch te horen wat zij nog moet doen om helemaal één te kunne worden met de Minne. In een lange monoloog hoort zij aan wat haar nog te doen staat. Of zij bereid is om zich door de mensen te laten verstoten? Zij mag zich vooral niet ergeren over wat haar ook overkomt. Zij moet het lijden dat op haar weg komt op haar nemen. Christus prijst Hadewijch om haar goede werken, maar legt haar vervolgens een belangrijk mystiek inzicht voor.

(310) “Maar erken jij dan ook dat ik zuiver als mens heb geleefd en dat mijn lichaam erge pijnen leed en dat mijn handen trouw hun werk bleven doen. En dat mijn wil steeds opnieuw heel de wereld bleef overvloeien van naastenliefde voor vreemden en voor vrienden: dat mijn zinnen smachtten, mijn hart begeerde en mijn ziel minde. En in dat alles wachtte ik geduldig mijn tijd af tot het uur kwam dat mijn Vader mij tot zich opnam. Je hebt soms tegen mij gezegd dat ik als mens het gemakkelijk had om te leven omdat ik de zeven gaven had. Dat is waar. En ik had niet alleen de gaven, ik zelf was de Gave van de geesten die ‘de gaven’ heten. En je hebt gezegd dat mijn Vader bij mij was. Dat is waar. We waren geen moment gescheiden. Maar ik deel je over de minne een verborgen waarheid mee die trouwens geopenbaard is voor wie haar kan verstaan: namelijk dat ik nooit, geen enkel moment, in welke ellende ik ook verkeerde, gebruik heb gemaakt van mijn macht. En nooit heb ik mij beschermd met de gaven van mijn geest. Integendeel ik heb ze met pijn en moeite van mijn Vader gekregen – Hij en ik waren trouwens geheel één, zoals we dat nu zijn. Ik heb ze niet gekregen voor de tijd dat mijn volwassenheid aanbrak. Ik heb nooit mijn nood en mijn lijden veranderd door mijn volmaaktheid.

Met andere woorden: Jezus heeft in zijn leven nooit het lijden weggenomen ook al was hij daar door zijn goddelijke macht wel toe in staat. Hadewijch geeft hier dus een volkomen ander antwoord dan wij zouden verwachten. Waarom neemt God het lijden niet weg uit onze wereld? Waarom staat God het lijden toe? Hadewijch geeft een paradoxaal antwoord. Zelfs Gods Zoon die alle macht er toe had, heeft voor zijn eigen lijden die macht niet ingezet!

(341) Nu heb jij geklaagd over jouw ellende en vraag je van mij waarom jij van mij niet krijgt wat je voor je heftige verlangen nodig hebt, maar nu vraag ik jou: Toen jij dat gemis voelde, had jij dan niet de zeven gaven van mijn Geest? En ik vraag je: Wanneer je, hoe dan ook door mijn Vader verlaten voelde, was mijn Vader dan niet altijd met je, zoals hij ook met mij was, en ik met hem toen ik als mens leefde? Je bent nu eenmaal een mens, leef dan ook als mens in je rampzaligheid (van Minne verstoten). Ik wil van jou dat je mij zo volmaakt naleeft in alle deugden op aarde, dat je op geen enkel punt bij mij achterblijft. Beschik over de zeven gaven van mijn Geest en over de kracht en de hulp van mijn Vader om volmaakt de deugden na te leven waardoor men God wordt en eeuwig blijft. Maar voel ook dat je mens bent in alle tekortkomingen die bij de mensheid horen, met uitzondering van de zonde. Al wat er aan lijden bij het mens-zijn hoort, de zonde uitgezonderd, heb ik op mij genomen toen ik als mens leefde. Nooit zocht ik voor mezelf voldoening in mijn innerlijke macht, alleen de troost dat ik zeker kon zijn van mijn Vader. Je weet ook wel dat ik lang op aarde heb geleefd voordat de mensen wisten wie ik was en voordat ik wonderen verrichtte. En toen ik die deed en men mij beter leerde kennen, bleven in de wereld maar weinig vrienden over voor mij. En bij mijn dood had bijna iedereen die leeft zich van mij afgekeerd. Daarom, heb er geen spijt van als alle mensen je in de steek laten om jouw volmaakte minne en omdat je in mijn wil leeft. (372)

Als een vriend geeft Christus hier steun aan Hadewijch. Hij bemoedigt haar wanneer ze voelt dat anderen haar manier van leven niet begrijpen en haar daarvoor in de steek laten. In het volgende deel benadrukt Jezus dat hij haar alle liefde wil geven die ze nodig heeft. Met beminnelijke woorden:

(397) Met minne zal je leven en het uithouden en mijn verborgen wil uitvoeren waardoor jij van mij bent en ik van jou. Doordat jij mij voelt zal ik jou genoeg zijn en jij zult mij genoeg zijn. Met deze wijsheid moet je mijn wil volbrengen, mijn allerliefste lief. Dus koester mij met minne, jij die mij het best geniet wanneer je dicht bij mij bent. Zo zal je mij genietend bezitten.

 

Tenslotte: bij de zevende boom

Tenslotte komt Hadewijch terug op de zevende boom, die heet: de kennis der minne. Nu mag ze terug keren naar het alledaagse leven. Ze kan bladeren van de boom meenemen die haar steun kunnen geven voor wanneer ze zwak wordt. Als ze het echt niet meer uithoudt, kan ze een roos meenemen uit de kruin van de boom. Die roos staat voor de gevoelige genieting van de minne.

(370) Mijn lief, sta alle mensen bij in hun nood; zonder onderscheid, of ze nu goed of kwaad doen. Minne zal je daarvoor de kracht geven. Geef alles, want alles is van jou.’

Met deze laatste alinea’s geeft Hadewijch een wonderlijke inhoud aan de christelijke mystiek: worden als God is mens worden. Door te worden, te doen als Jezus Christus, komt de mens God nabij. De nieuwe, wijze kennis van Hadewijch brengt haar weer bij de mens. Eén worden met God houdt dus in dat zij haar mens-zijn ten volle ontplooit. Het houdt ook in dat zij de pijn en het lijden neemt, uithoudt, overleeft zoals Jezus dat heeft gedaan. Pijn, verdriet, lijden en ellende horen immers bij het mens-zijn. Christus is dat niet uit de weg gegaan. Steeds heeft hij zich er aan over gegeven, in het besef dat Gods Liefde bij hem was. Zelfs toen hij zich verlaten voelde, bleef Gods Liefde bij hem. Zo ligt er voor Hadewijch de uitnodiging om de minne in haar leven te blijven minnen, ook in haar nood en haar leed. Wie zich werkelijk met God wil verenigen, moet mens worden zoals Jezus.