Hadewijch is de eerste vrouwelijke dichter die we kennen in de geschiedenis van de Nederlandstalige literatuur. Zij is tevens een van de eerste mystieke schrijfsters van de Lage Landen. Zij moet een uitzonderlijke vrouw geweest zijn met grote poëtische en muzikale talenten en scherpe religieuze gevoeligheid.

Glassschilderij
Fritz Rodenburg 1926

Buiten haar geschriften zijn er nauwelijks historische bronnen over haar leven gevonden. We weten niets zeker van haar leven. De biografische gegevens over haar zijn fictie: wat anderen over haar geschreven hebben. Symbolisch is wat zijzelf in haar vierde visioen beschrijft. Daarin zegt een engel tegen haar: “Jij, die voor al je vrienden en tegenstanders onbekend blijft.” En zij blijft inderdaad een onbekende vrouw in de literatuur en mystiek van de Lage Landen. Om haar te kunnen plaatsen zijn we aangewezen op de spaarzame verwijzingen in haar eigen werk en op de weinige sporen die onderzoekers gevonden hebben.

Internationaal is zij bekend onder de naam “Hadewijch van Antwerpen”. Deze naam komt van een opschrift op het schutsblad van het Gentse Hadewijch-handschrift. In de 17e eeuw is daar bijgeschreven: “Lofrede op de zalige Hadewijch van Antwerpen”. Nogmaals, het is een vaag spoor want het gaat hier om een toevoeging die vele jaren na haar leven is aangebracht. Het is wel een plausibele aanwijzing dat Hadewijch in de buurt van Antwerpen geleefd kan hebben. Trouwens uit haar naam valt ook weinig af te leiden, want in de Middeleeuwen was Hadewijch een veel gebruikte voornaam.

Reeds in de Middeleeuwen moet zij bekend zijn geweest. Jan Ruusbroec (1293-1381), een andere bekende mysticus, werkte een aantal van haar geschriften uit. Zijn leerling Jan van Leeuwen (overleden 1378), die de goede kok van het klooster werd genoemd schrijft lovende woorden over haar. Hij vindt haar “een heylich ende glorieus wijf” en vindt haar even “ghewarich” als de apostel Paulus. Niet alleen in onze Lage Landen, maar ook in Duitsland werd zij gewaardeerd onder de naam “Adelwip”.

Diets (Middelnederlands)

Deze onbekende Hadewijch schreef niet in het Latijn of Frans zoals gebruikelijk in haar tijd, maar in de volkstaal: het diets. Het diets is een Brabantse variant van het middelnederlands. In haar moedertaal kon zij alles kwijt, zoals ze zelf aangeeft. Haar vaardigheid met de Dietse taal is uitzonderlijk. Dat betekent waarschijnlijk ook dat zij van oorsprong ergens uit Brabant moet komen. Let wel: Brabant omvatte toen de huidige provincies Noord-, Vlaams- en Waals-Brabant en Antwerpen.

Ontwikkelde vrouw

Hadewijch laat in haar werken weinig los over haar concrete leven. Ze moet een zeer ontwikkelde vrouw zijn geweest, met een goede opleiding. Uit haar werk blijkt dat ze vertrouwd was met Latijnse teksten uit de mystieke literatuur en van de Vulgaat vertaling van de bijbel. Ze was op de hoogte van de belangrijke theologen van de die tijd (Bernardus van Clairvaux, Willem van Saint-Thierry en Richard van St.-Victor). Ze kende haar kerkvaders goed, zoals Augustinus en Gregorius.

Bovendien was zij vertrouwd met de hoofse zeden en gebruiken en vooral ook de Franse, hoofse minnelyriek. De moeilijkheidsgraad van sommige van haar teksten laat ook haar hoge ontwikkeling zien.

Muzikaal talent

Recent onderzoek heeft aangetoond dat Hadewijch ook een sterk ontwikkeld muzikaal talent moet hebben gehad. Wat aanvankelijk haar Strofische gedichten werden genoemd, blijken bij nader onderzoek voor het merendeel liederen te zijn. Zij heeft die gemaakt op toen bekende melodieën van Noord-Franse minnezangers. Een aantal liederen heeft een religieuze achtergrond en komen uit de liturgie zoals deze ook gezongen werden in de Notre-Dame te Parijs. Op een eigen creatieve manier gebruikte zij de rijmschema’s en rijmwoorden.

1210 – 1260

Uit enkele gegevens die Hadewijch zelf vermeld in haar werken kunnen we afleiden dat zij rond 1240 geleefd moet hebben. In de Lijst van Volmaakten, een aanhangsel bij haar Visioenen, is namelijk een belangrijke aanwijzing gevonden voor een datering. In deze lijst van “volmaakten die het kleed der minne dragen” geeft Hadewijch een opsomming van mensen die volgens haar volledig in Gods Liefde opgenomen zijn. Daarin noemt zij onder andere een begijn die op de brandstapel is vermoord door een kerkelijk inquisiteur, Robert le Petit. Van deze inquisiteur weten we dat hij in de eerste helft van de dertiende eeuw geleefd moet hebben. Daardoor kan deze lijst gedateerd worden na 1246. Dat betekent dat Hadewijch geleefd moet hebben in de periode van ongeveer 1210 tot 1260.

Door de eeuwen heen zijn er allerlei hypothesen ontwikkeld over de persoon Hadewijch. Aanvankelijk dacht men dat Hadewijch een kloosterzuster geweest moet zijn, ergens in de buurt van Luik. Eind 19e eeuw verkeerde men in de veronderstelling dat zij een Brusselse begijn was: Heilwigis Bloemaerts, gestorven in 1336. Deze Heilwiges Bloemaerts werd op haar beurt weer vereenzelvigd met vrouw Bloemardinne, de ketterse vrouw met wie Ruusbroec een heftige strijd heeft gevoerd. Of zou zij de eerste abdis geweest zijn van het cisterciënszerinnen-klooster van Hertogendaal?

In een recentere studie van 2010 geeft Daniel Devreese een aantal historische argumenten waarmee hij Hadewijch identificeert met een zekere Hadewid Greca, die geboren werd vóór 1187. De bijnaam Greca wijst op haar afkomst van de familie van de Grieken uit Zoutleeuw (bij Sint-Truiden). Daar verbleef zij in een groep van religieuze vrouwen, voordat zij in 1212 in de kluis Weyngaert te Merksem leefde, die onder toezicht stond van het klooster van Villers. Tot 1230 zou zij dan in Merksem gewoond hebben. Misschien is ze daar gestorven of mogelijk is zij in een klooster ingetrokken.Kortom: het blijft voorlopig raadselachtig wie Hadewijch precies is geweest.

Religieuze vrouwenbeweging

In de eerste helft van de vorige eeuw heeft de jezuïet Jozef van Mierlo uitgebreid studie gemaakt van Hadewijch en haar werken uitgegeven. Hij situeert Hadewijch terecht binnen de religieuze vrouwenbeweging van de dertiende eeuw. Uit haar werk kunnen we afleiden dat Hadewijch als geestelijk leidsvrouw deel heeft uitgemaakt van een kring van religieuze vrouwen. Waarschijnlijk heeft zij gedurende langere tijd ook gewoond in zo’n gemeenschap van vriendinnen.

Vanaf 1200 groeit er in West-Europa een beweging van vrouwen die op zoek zijn naar een nieuwe, christelijke spiritualiteit. Het is een tegenbeweging tegen de steeds groter wordende wereldlijke macht van paus, bisschoppen en kloosters. Het wordt ook wel een armoedebeweging genoemd omdat zij de rijkdom van kerk en kloosters onder kritiek stelt. Juist ook vrouwen kiezen voor een leven van onthechting vanuit een evangelische inspiratie. Zij worden ‘mulieres religiosae’ genoemd. Het betreft hier vrouwen die sterk religieus geëngageerd zijn, maar niet de keuze maken om in te treden bij een kloostergemeenschap. Zij blijven werkzaam in de samenleving en voorzien in haar eigen levensonderhoud (zorg voor zieken, wezen, spinnen, weven, onderwijs). Tegelijk beleven zij actief hun geloof in de eigen gemeenschap.Vaak wonen zij in een vrouwengemeenschap of in de buurt van elkaar. Deze beweging zal zich in de veertiende eeuw verder ontwikkelen; dan worden deze vrouwen in de volksmond begijnen genoemd.

Hadewijch vertelt dat zij zich in bepaalde perioden van haar leven in de steek gelaten voelde door haar vriendinnen. Ze moest dan van woonplaats verwisselen. Ze typeert zichzelf dan als “dolende door het land”. Uit haar werk komt ook naar voren dat zij zich nergens aan een klooster of kerkelijke overheid heeft gebonden. Ze schrijft:”Door een regel te onderhouden bekommert men zich om veel dingen waarvan men vrij zou kunnen zijn, en dat is een dwaling van de rede. Een geest die van goede wil is, leeft inwendig op een manier die schoner is dan wat alle regels samen zouden kunnen uitdenken.” (Brief 4)

Geestelijk leidster

Binnen deze religieuze vrouwenbeweging moet Hadewijch geplaatst worden. Men beschouwt haar wel als een van de ‘vroege begijnen’. Het is in deze context dat Hadewijch als magistra en geestelijk leidster van een kleine groep ‘mulieres religiosae’ (religieuze vrouwen) haar teksten geschreven heeft. Niets wijst er echter op dat Hadewijch zelf ooit in een begijnhof heeft geleefd. In de registers van de begijnhoven (en kloosters) wordt haar naam nergens genoemd.

Dat een beweging van zelfstandige vrouwen tegenwerking krijgt van kerk en burgerlijke overheid zal duidelijk zijn. De kerk wilde kost wat kost greep houden op deze vrouwen. Er zijn veel begijnen op de brandstapel beland. Hadewijch schrijft over een begijn die door een inquisiteur ter dood werd gebracht (“Een beghine die meest robbaert doedte om hare gherechte minne”). Uit haar brieven kan worden opgemaakt dat zij zelf ook tegenwerking ondervond van buiten (kerkelijke overheden?). Zij kreeg te maken met onbegrip en verdeeldheid in haar eigen kring. Een keer vertelt ze dat ze gevangen heeft gezeten (Brief 29).

Lijst der volmaakten – Handschrift Gent-UB-941-f.20v

Tenslotte, we weten van Hadewijch niet veel meer dan haar naam. Haar naam komt uit het oud Germaans en betekent: ‘hadu’ (strijdster) en ‘wijch’ (eveneens strijdster). Zij is dus een fiere strijdster. Zelfs God zegt tegen haar:
“Jij bent de sterkste strijdster van alle strijders,
jij hebt alles overwonnen
en het is terecht dat jij Mij ten volle kent.” (Visioen 14).

 

Print Friendly, PDF & Email