(In 1922 vertaalde Albert Verwey de Visioenen van Hadewijch. Hieronder zijn vertaling van Visioen 12.)

 

[1] op een driekoningendag
werd ik tijdens de mis aan mijzelf ontvoerd en in de geest opgenomen.
daar zag ik een stad die groot, breed en hoog was
en getooid met volmaaktheden.
midden daarin zat een op een ronde schijf;
die aldoor zich openbaarde en zich dichtsloot in verborgenheid.
want die boven op de schijf zat
was daar stilgezeten;
maar binnen in de schijf draaide hij onuitsprekelijk snel zonder ophouden.
[10] de kolk waar de schijf in liep
waarin hij draaide,
was zoo vervaarlijk diep
en zoo donker
dat geen ijselijkheid daarmee te vergelijken is.
de schijf was in haar bovenste oppervlak van allerhande schoone gesteenten,
en met een kleur van zuiver goud,
maar in die donkerste kant waar haar omloop zoo vreeselijk was,
daar was ze gelijk verschrikkelijke vlammen,
die hemel en aarde verslinden
en waar alles wat bestaat in beangst en verzwolgen wordt.

[20] het aangezicht echter van hem die daar op zat kon niemand zien
dan wie de vreeselijke vlammen van die schijf toebehoorde
en in de diepe afgrond daaronder geworpen was.
dat aangezicht trok alle dooden tot zich zoodat ze leefden,
en deed alles wat dor was bloeien;
alle armen die ernaar zagen werden rijk
en alle zieken gezond;
en zoovelen en verscheidenen er waren,
werden in dat aangezicht een.
[30] degene die op die hooge plaats gezeten was,
droeg een kleed witter dan wit,
waarop voor de borst geschreven was:
aller beminnenden minnaar.
toen viel ik neder voor dat aangezicht
om de waarheid te aanbidden van de vreeselijk wezenheid
die ik daar geopenbaard zag.
en en aren kwam vliegende,
en roepende met grote stem:
nog weet de beminnende niet
hoedanig ze komen zal.
en de tweede zeide:
nog weet de beminnende niet
wat haar hoogste weg is.
[40] en de derde zei:
nog weet de beminnende niet
welk het groote rijk is
dat ze als bruid van haar bruidegom ontvangen zal.
daarop zeide de vierde tot mij:
neem u in acht en verbeid,
en val niet meer voor dat aangezicht.
die voor het aangezicht neervallen
en aanbidden, die ontvangen genade;
die staande het aangezicht doorschouwen
ontvangen gerechtigheid
en worden bekwaam (te kennen)
de diepe afgronden
waarvan het kennen zoo bezwaarlijk is voor de onwetenden.

daarop werd ik opgenomen door de stem
[50] van de arend die tot mij sprak
en ik zag in de stad een groote menigte komen, getooid,
en elk rijk met zijn eigen werken.
deze allen waren deugden,
en brachten een bruid tot haar minnaar.
zij hadden haar schoon gediend en zoo fier gepleegd
teneinde haar naar betamen toetetreeden voor de groote machtige god
die haar als bruid ontvangen zou.

zij droeg het kleed van de geheele volkomen wil,
altoos zonder verdrieten,
gereed tot alle deugd,
[60] en toegerust met al wat daartoe behoort.
dat kleed was met al die deugden getooid
en elke had haar teeken daaraan
en haar naam doen kennen als hier volgt.

de eerste was geloof:
die had haar uit de laagheid omhooggedragen.

de tweede hoop:
die had haar boven haar zelf uitgeheven
om geheel te betrouwen op de eeuwige vreugden.

[70] de derde oprechte trouw
waarnaar ze edel heet;
want zij week niet van haar,
wegens geen enkele nood hoe groot

de vierde barmhartigheid:
deze betuigt dat ze rijk is;
want zij liet nooit af van in haar dienst te werken,
in noch uitwendig,
en door haar toedoen ontbrak het haar nooit aan gave:
door hoog vertrouwen waren haar alle rijkdommen toegekend.

de vijfde begeerte:
daardoor was ze ruim in haar schoone landstreek
en kostelijk van rijke volheid,
[80] zoodat zij de hemelsche grootheid wel in zich ontvangen mocht.

de zesde ootmoed:
waardoor ze diep was
en zoo onpeilbaar
dat ze die grootheid wel geheel in haar onpeilbaarheid ontvangen mag.

de zevende des onderscheids.
door dit blijkt zij zoo schrander dat zij elk wezen op zijn plaats stelt:
de hemel in zijn hoogte,
de hel in haar laagte,
het vagevuur in zijn stand,
de engelen in hun orden,
de menschen elk in zijn behooren,
[90] in zijn vallen en zijn opstaan.
aldus god te laten geworden,
dat paste wel bij het kleed van de volkomen wil.

de achtste haar gedegen daden:
door deze blijkt zoo krachtig
dat het niet kon uitblijven
of ze overwon alleen wel alle tegenwerking,
zoodat ze (maakte) alle laagheid hoog
en all hoogheid laag .

de negende rede,
die bewijst dat ze een vaste orde houdt
en dat het háár regels waren
[100] waardoor ze aldoor gerechtigheid werkte
en die haar voorlichten in de liefste wil van haar minnaar;
zoodat zij zegening en voordeelen gaf gelijk hijzelf
in al wat hij liefhad en al wat hij haatte,
zij alles gevende wat hij gaf
en alles nemende wat hij nam.

de tiende wijsheid:
die doet zien hoe ze kennis heeft aan de macht van iedere volkomen deugd, naar welke men doen moet om de minnaar te behagen.
ze doet ook zien dat ze iedere persoon van de drievuldigheid kent
[110] in de eenheid die daar zulk een diepe kolk was,
onder de wonderbare en vreeselijke schijf
waar hij in woonde die de bruid ontvangen zou.

de elfde vreedzaamheid:
die deed haar kennen als van vriendelijk voorkomen,
schoon en ervaren in het geheele omhelzen,
in het gedurige kussen
en in iedere eer en in ieder bedrijf
die lief met lieve in minne plegen zal,
en als met hen geboodschapt en geboren,
ja als elk uit elkander geboren,
en met hem opgroeiende
en als mensch met hem levende
[120] in dezelfde pijn van armoede en versmaadheid
en in ontferming jegens al degenen op wie de gerechtigheid verbolgen was, zoodat ze uit elkaar gevoed werden,
inwendig en uitwendig,
en ze nooit vreemde troost ontving,
maar met hem stierf
en met hem alle gevangenen vrijmaakte,
en bond wie hij bond,
en met hem opstond,
en saam met hem opvoer tot zijn vader
en daarmede zijn vader erkende als haar vader
en zichzelf zoon met hem,
[130] en met de heilige geest als heilige geest
en met hem lijk hem di drie als een,
en het wezen waarin ze één zijn.
dit alles getuigt van haar de vreedzaamheid,
dat zij zoo geleefd heeft
en voortaan met en in liefde met hem leven zal.

de twaalfde lijdzaamheid,
omdat ze alle kwaad buiten gehouden heeft,
zonder eenig verdriet in alle verdrieten,
als een werktuig tot goede werken van waarde,
in een nieuwe gemeenschap.
ze doet haar kennen als goddelijk in wezen en werken.
[140] aldus is het kleed van de volkomen wil geheel gesierd door goddelijkheid. zoo getooid komt de bruid
met dit heele schoone gezelschap in zinnebeelden uitgedrukt.
zij had op de borst een speld van het goddelijke zegel,
waarmee ze erkend wordt als deelhebbend aan de goddelijke gemeenschap.
het was een teeken
dat ze het verborgen woord van hem zelf uit die diepte verstaan had.
zoo kwam ze in de stad met dit gezelschap,
[150] geleid tusschen het genot van de liefde en het gebod van de deugden:
’t gebod bracht haar daar
en het genot vond ze daar,

toen ze naar de hooge zetel geleid werd waarvan ik te voren sprak,
zeide tot mij de arend die tot mij gesproken had:
doorschouw nu het aangezicht
en word de waarachtige bruid van de groote bruidegom,
en zie uzelf zoo.
toen zag ik mijzelf in eenheid ontvangen
door hem die in de kolk op die loopende schijf zat,
en ik werd een met hem in verzekerde eenigheid.
[160] daarop zeide de arend
nadat ik ontvangen was:
nu zegt hij de almachtige die ik tevoren minnaar noemde:
dat gij niet wist hoedanig ge komen zoudt
en wat uw hogste weg was
en hoedanig het groote rijk
dat gij als bruid van uw bruidegom ontvangen zoudt.
toen gij tevoren voor het aangezicht neervielt,
dacht ge het als een simpele ziel u niet genadig;
toen ge opstondt en het doorschouwde
zaagt ge uzelf volmaakt met ons,
waarachtige bruid,
gezegeld door liefde.
[170] gij hebt diepst ontvangen het verborgen woord dat job verstond,
dat was porro dictum est.

in de diepte zag ik mij verzwolgen;
daar ontving ik de zekerheid dat ik derwijze ontvangen was in mijn lief,
en mijn lief zoo in mij.