Hadewijch is niet alleen een mystiek begaafde vrouw. Uit haar liederen blijkt ook haar uitzonderlijke talent voor taal. Met haar mystieke poëzie was zij ook de eerste dichteres van onze Nederlandse taal. Zij was waarschijnlijk de enige vrouw die in de Middeleeuwen haar mystieke ervaringen en opvattingen gezongen heeft.

 

Minnezang en liturgische zang

CodexManasseMet name in de vorm, maar ook in de thematiek zijn de liederen van Hadewijch sterk beïnvloed door de hoofse minnezang. Het gaat hier om liederen die de troubadours in de hoofse kringen over de liefde zongen. Meestal gaat het om een onvervulde, of onbereikbare liefde in een adellijke omgeving. De verering van een dame is een terugkerend thema. Een adellijke wijze van leven, edele liefde, aandacht voor schoonheid, edelmoedigheid en trouw zijn belangrijke thema’s. Qua vorm, ritme en rijm zij er veel overeenkomsten te vinden tussen de liederen van Hadewijch en de liederen die de troubadours in die tijd aan de hoven zongen.

 

Deze minnezang (1170-1300) bracht een belangrijke verandering teweeg in de poëzie. Werden gedichten eerst alleen voorgedragen (orale traditie), nu werden ze vooral ook gezongen. De meeste minneliederen zijn niettemin overgeleverd op papier. Veel muziek is in de loop der tijd verloren gegaan. Daardoor is minder duidelijk of en met welke muziekinstrumenten deze liederen begeleid werden. Uit middeleeuwse afbeeldingen kan worden afgeleid dat de luit en de fluit (“pipers”) belangrijk zijn geweest.

 

Meerdere liederen hebben te maken met liturgische teksten of zijn er bewerkingen van. Een bekend voorbeeld daarvan is het laatste en 45e lied dat gebaseerd is op een bekende Maria sequens (Maria Praeconio). Verschillende liederen zijn afkomstig van Latijnse rondelli die toen gezongen werden in de Notre-Dame te Parijs. Van diverse liederen zijn inmiddels de originele melodieën gereconstrueerd.

 

Natureingang

Van de 45 liederen die van Hadewijch zijn overgeleverd, beginnen er 42 met een zogenoemde “Natureingang’. Het is een stijlfiguur die vaak gebruikt wordt in de Middeleeuwse, hoofse lyriek. Een gedicht of lied wordt geopend met een verwijzing naar een tafereel uit de natuur. Het is vaak een sfeertekening. Meestal zijn het clichés, bedoeld om de verteller en luisteraar op elkaar af te stemmen, om aandacht te vragen om wat er komen gaat. Het is een stereotype opening in de Middeleeuwse lyriek.

 

Hadewijch maakt er op een eigen, originele en authentieke manier gebruik van. De Natureingang is voor haar geen ‘open deur’, maar roept een natuurgevoel op dat direct te maken heeft met wat er in het lied aan de orde komt. De natuur roept al op wat er vervolgens in het lied gethematiseerd wordt. Het kan ook een treffende tegenstelling of ontroering zijn. Hadewijch geeft daarmee een eigen wending en betekenis aan het natuurtafereel. Het zegt ook veel over het natuurgevoel van Hadewijch. Uit het geheel van haar liederen zien wij een vrouw met een uitgesproken aandacht voor de jaargetijden en de wisseling van de natuur.

 

Opvallend is zeer dat de beschrijving van taferelen uit de natuur in de Liederen heel anders van karakter zijn dan die uit de Visioenen. In de liederen geeft Hadewijch heel ontroerende beschrijvingen van echte natuur. Het is alsof de knoppen van hazelaars voor onze ogen in bloei komen. In de visioenen lezen we over natuur alsof die niet echt, maar enkel in haar beleving, in de voorstelling bestaat. Ze schrijft daar alsof ze naar een plaatje zit te kijken. De beschrijvingen doen niet echt aan. Misschien heeft dat ook alles te maken met visionaire taal en beschrijvingen. Alsof Hadewijch naar een beeld zit te kijken en alsof ze een beeld ondergaat

 

Bij de ‘Natureingang’ die Hadewijch zo vaak gebruikt, noemt zij regelmatig het “nieuwe jaargetij” of spreekt zij soms ook van “de lente”. Voor de sfeer en de gemoedsstemming zijn het wezenlijke aanwijzingen. Om deze stijlfiguur goed te kunnen begrijpen, moeten we ons wel realiseren dat het nieuwe jaar in de Middeleeuwen niet met 1 januari begon, maar in maart. Het nieuwe jaar heeft zijn aanvang op 1 of 25 maart (Maria Boodschap) of met Pasen. Het natuurbeeld dat Hadewijch schetst (bijvoorbeeld “de bloeiende hazelaar”) schuift dus ruim twee maanden op!

 

Strofgedichten1Lied 1 (Universiteit Gent)

 

Hoe de liederen te verstaan?

Om de lyriek van Hadewijch goed te verstaan geeft Marie van der Zeyde in haar proefschrift over Hadewijch (1934!) een belangrijke sleutel: “Dubbelbetekenis en gedachtesprong, die aan haar lyriek een schijn van onsamenhangendheid geven, leveren – goed begrepen – de sleutel tot het verstaan van haar verzen. Voor de praktijk wil dat zeggen, dat men overal waar het logies verband verstoord lijkt, naar de onuitgesproken of slechts half uitgesproken verbindingsgedachten moet zoeken, die naar mijn overtuiging zelden of nooit ontbreken, en die een essentieel deel van het vers zijn.” (Marie van der Zeyde 1934, 187).

 

Met gedachtesprongen bedoelt van der Zeyde de ‘losse eindjes’ die we vaak in de teksten van Hadewijch tegen komen. Niet dat ze haar gedachten niet zorgvuldig ontwikkelt, maar soms lijkt het wel alsof ze associatief van het een naar het ander overgaat. Hadewijch is een talent in het leggen van associaties. De overgang van de verschillende associaties die zij maakt kan ons helpen de strekking van een lied beter te begrijpen. Bijvoorbeeld, het eerste lied begint met stappen van verschillende associaties die schijnbaar geen samenhang hebben: eerst het koude winterweer (met de druk van de kou, de korte dagen en lange nachten, de somberheid van het leven) en vervolgens komt het uitzien naar de zomer (met het vertrouwen dat het allemaal goed komt, dat de dwang van de winter opgeheven wordt) maar dan ineens dat het allemaal schijn is, dan weer het ontluiken van de hazelaar (met de prachtige bloemen, een openlijk teken) en tenslotte die afscheidsgroet, die opnieuw een bemoediging wordt. In deze gedachtesprongen komt bij de toehoorder tot uiting wat Hadewijch wil zeggen.

 

Dubbelbetekenis slaat op het verschijnsel dat bij Hadewijch de sleutelwoorden vaak meerdere betekenissen hebben. Bijvoorbeeld ‘storm’ heeft te maken met een natuurgegeven (wind), maar ook met een psychische storm (vertwijfeling, radeloosheid) of met een geestelijke storm (Gods Liefde die aanraakt). Al deze betekenissen kunnen in één zin terug te vinden zijn. Door bewust woorden te gebruiken die niet eenduidig zijn roept Hadewijch een psychische spanning op. Op deze manier tracht zij haar eigen gecompliceerde zielstoestand, het paradoxale wezen van de Minne en de tegenstrijdigheden van het mystieke leven tot uitdrukking te brengen (Zeyde, 1934, 193). Het is voor Hadewijch veel meer dan een stijlfiguur. Dankzij deze manier van schrijven kan de lezer verborgen samenhangen ontdekken. Bijvoorbeeld haar meest gebruikte woord is Minne. Het heeft niet een betekenis, maar talloze betekenissen. Dat voorkomt dat we een eenzijdige, analytische kijk krijgen op de minne. Het voorkomt dus dat er een definitie is va Minne. Maar vooral ook dat al die betekenissen de samenhang laten zien tussen de liefde va mens naar God, van God naar mens, van mens tot mens, van mens tot Jezus, van mens tot al wat leeft, enzovoort. Door het gebruik van dubbelbetekenissen voorkomt zij een dualistisch verstaan van haar ervaringen, gedachte en geloven.

 

Hardop !

De liederen winnen aan verstaanbaarheid en kracht als ze hardop uitgesproken worden (of gezongen natuurlijk). Stil lezen was in de Middeleeuwen zeker niet de gewoonte. Iedereen las hardop! Van bisschop Ambrosius wordt door Augustinus vermeld dat deze een merkwaardige gewoonte had: door met zijn ogen langs de regels te gaan en zijn mond stil te houden. Augustinus zocht daar verschillende verklaringen voor; zo ongewoon was vond hij die handelwijze. De liederen, maar ook de andere teksten van Hadewijch vragen om hardop gelezen te worden. Natuurlijk zijn haar liederen bedoeld om gezongen te worden!