Dit lied wordt wel genoemd: het Marialied van Hadewijch. Het lied bezingt uitgebreid de lof van Maria. In de Lijst van Volmaakten geeft ze een lijst met 29 namen van mensen die in haar ogen volmaakt zijn. De eerste (en belangrijkste) is Maria, Moeder Gods. Het zal niet toevallig zijn dat het 29e lied aan Maria is gewijd. Het is daarmee ook een lied van deemoed en vervulling, zals Vekeman het karakteriseert.

Centrale gedachte van het lied is dat Maria door haar ootmoed de minne in haar schoot heeft ontvangen. Door haar diepe ootmoed is de verhouding van de mens tot God drastisch veranderd. Werd God eerst gezien als een ongenaakbare, verre God (wilde God, straffende God uit het Oude Testament) door Maria is God tam geworden. Door haar kan men God ervaren als minne, als Gods Liefde voor de mensen. Door haar ootmoed en zwangerschap is Gods Liefde onder de mensen komen. En omgekeerd kunnen mensen bij Gods Liefde komen. Zij heeft dus een open verbinding gemaakt (een kanaal) tussen God en de mensen.

Voor Hadewijch is ootmoed een van de belangrijkste deugden voor een mens. Ootmoed betekent nederigheid, zachtmoedigheid. Het heeft ook de betekenis van onderdanigheid in een positieve zin: jezelf onderdaan weten ten opzichte van Gods Liefde. Jezelf niet groter achten dan je bent. ‘Oot’ komt van het woord ‘ootje’, een nulletje. Ootmoedig betekent dus eigenlijk nulmoedig: zo moedig zijn dat je een houding van nederigheid aanneemt.

Waar bestaat die ootmoed van Maria uit? Regel 69-70 geeft kernachtig het antwoord: “Maar Maria zei niets anders dan: Mij geschiede wat God wil.”

1
Door hogher trouwen minne
Soe sijn alle mine sinne
In menichfoude pine;
Mijn swaere draghen
sonder claghen
Werdet mi wel in scine.
Die ghene daer ic omme douwe
Ende doghe so meneghen rouwe,
Hi hevet mi doen verstaen
Dat ic met hogher minnen sal ontgaen.

(Vertaling Adrie Lint)
Door minne van hoge trouw)
ervaren al mijn zinnen
velerlei pijnen.
Mijn  zware dracht,
laat ik niet klagen,
zal mij blijkbaar goed doen.
Degene om wie ik wegkwijn
en zoveel leed verdraag,
die heeft mij te verstaan gegeven dat
ik er door hoge minne aan zal ontkomen.

2
Sal mi hoghe minne
Behouden minne sinne,
So bennic seker des,
Met verstane van binnen:
Dat die minnare onser minnen
Wel volmaket es.
Want al sijn doen es sonder mate;
Hem en ghenoecht vore minne ghene orsate.
Dat bekinnen wel
Die hoghe minne draghen, en niemant el.

Als hoge minne mij
mijn zinnen laat behouden
dan ben ik er zeker van,
met een diep besef van binnen
dat de minnaar van onze minne
wel volmaakt is.
Want al wat hij doet is zonder maat; hem
telt geen ander loon dan minne.
Dat weten zij wel die hoge minne dragen,
en niemand anders.

“Hoge minne” ofwel “Minne van hoge trouw” is blijven vertrouwen op Minne: trouw blijven aan de goddelijke Liefde. Zij wordt hier voorgesteld als een persoon. Dat gebeurt meer bij Hadewijch. Bijvoorbeeld ook de rede of het gevoel worden aangesproken als een persoon.Het onderhouden van de hoge minne ervaart Hadewijch als een dracht, een zwangerschap.

3
Die hoghe minne draghen
So selen luttel claghen,
Wat leede hen over gheet.
Si selen sijn alse die vroede
Altoes met diepen oetmoede
In hoghe minne ghereet,
Daer minne ghebiedet, si verre, si bi,
In sterven, in leven, so wat dat si,
In vriheit sonder vaer:
Dat maectse ons hoghe minne ierst openbaer

Wie hoge minne dragen,
moeten weinig klagen,
welk leed hem ook overkomt.
Zij moeten als de wijzen zijn:
altijd in diepe ootmoed
met de minne breid om te gaan waar
de minne hen heen leidt, ver of dichtbij,
in sterven of leven, wat het ook is,
in vrijheid, zonder vrees: dat openbaarde aan ons
de hoge minne als eerste.

4
Wat so ons god ye onste,
En wardt nieman, die conste
Gherechte minne verstaen,
Eer dat maria, die goede,
Met diepen oetmoede,
Die minne hadde ghevaen.
Tierst was si wilt, doen wardt si tam:
Si gaf ons vore den leeu een lam;
Si maecte die deemsterheit claer,
Die hadde gheweest doncker wel menich jaer.

Wat God ons ook schonk,
er was niemand die het aankon
om de ware minne te verstaan,
tot Maria, die goede vrouw,
met diepe ootmoed
de minne had opgevangen.
Eerst was zij wild, toen werd zij tam.
Zij gaf ons voor de leeuw een lam.
Zij deed het duister opklaren dat
vele jaren donker was geweest.

Eerst was de Minne, Gods Liefde “wild” toen werd ze “tam”. Hadewijch doelt hier op het Oude Testament waar God een scherpe rechter was. En met de komst van Jezus wordt Gods Liefde tot een vriendelijke kracht. Zij, dus Maria, gaf ons voor de leeuw (dit is zinnebeeld voor Judea) nu een lam (beeld voor Christus).

In de volgende strofe gebruikt Hadewijch opnieuw twee metaforen die ze ontleent aan de mystieke traditie: burcht en berg. God zetelt in een burcht op een berg en draagt de minne in zijn schoot. Door de ootmoed van Maria wordt Gods schoot ontsloten. Door haar vloeit de berg in het dal en het dal omhoog naar de onbereikbare burcht. Door de menswording van God in Jezus komt Gods Liefde onder de mensen. Het is Maria die de burcht van God toegankelijk gemaakt voor elke mens.

5
Die vader, van anebeghinne,
Hadde sinen sone, die minne
Verborghen in sinen scoet
Eerne ons maria,
Met diepen oetmoede, ja,
Verholentlike ontsloet.
Doen vloeide die berch ten diepen dale,
Dat dal vloyde even hoghe der sale.
Doen wardt die casteel verwonnen,
Daer langhe strijt was an begonnen.

De Vader had vanaf den beginne
zijn Zoon, de minne,
verborgen in zijn schoot
tot Maria hem voor ons
met diepe ootmoed, jawel,
op mysterievolle wijze ontsloot.
Toen vloeide de berg in het diepe dal
en het dal vloeide omhoog naar de zaal.
Toen werd de burcht veroverd
waar zo lang strijd om was geleverd.

Hadewijch gaat verder met de tijd van vóór Maria, de tijd van het Oude Testament met haar profeten. De levenswijze van hen was nog niet gericht op de minne, maar op willekeur, dan zus, dan zo. Zij hadden nog geen leidend beginsel in hun leven. Maria daarentegen richt zich helemaal op de ootmoed: in nederigheid de minne dienen.

6
Ons dede elc prophete
Te voren scone behete:
Dat hi rike ware ende scone
Die ons soude brenghen vrede
Van minnen, ende mechtich mede.
Moyses met Salamoene
Prijsden alle sine cracht besondere,
Sine wijsheit ende sine wondere.
Tobyas, ysayas, daniel,
Job, Jheremias, ezechiel.

Elke profeet deed ons
voor die tijd schone beloften:
dat hij rijk en mooi zou zijn
die ons de vrede zou brengen
van minne, en machtig ook.
Mozes en Salomon
hebben zijn bijzondere kracht geprezen,
zijn wijsheid en zijn wonderen.
En ook Tobit, Jesaja, Daniël,
Job, Jeremia en Ezechiël.

7
Si saghen visioene;
Si spraken parabilen scone:
Wat ons god noch soude doen.
Mar, na minen sinne,
Die clare, vrie minne
Bleef van hen al ongheploen.
Want si hadden hare seden alse andere man
Nu hier, nu daer, nu af, nu an;
Maer maria en sprac el niet
Dan: ‘mi werde dat god versiet.’

Zij zagen visioenen,
zij spraken in mooie gelijkenissen
over wat God nog voor ons zou doen.
Maar volgens mijn persoon
werd de zuivere, vrije minne,
niet door hen ervaren.
Want hun levenswijze was gewoon als
die van ieder ander: nu dit, dan dat, nu hier, dan daar.
Maar Maria zei niets anders
dan: “Mij geschiede wat God wil.”

8
David seide: hem ghedachte
Van gode, het dede hem sachte
Ende hem ghebrac sijn gheest.
Nochtan hetet hi van werke sterc;
Maer maria wrachte sterkere werc.
Ja hi hads wale meest,
Sonder Maria, diene gheheel ontfinc:
God ende man ende jonghelijnc.
Daer mochtemen der minnen
Ierst clare werc bekinnen.

David zei dat wanneer hij aan God dacht,
dat het hem zacht maakte
en zijn geestkracht opbrak.
Toch schrijft men hem grote daden toe,
maar nog groter dingen deed Maria.
Ja, hij verzette wel het meest
buiten Maria, die hem geheel ontving
als God, als man en als jongeling.
Daar kon men voor het eerst
het heldere werk van de minne zien.

Maria heeft de minne gedragen, als kind in haar schoot, maar ook grootgebracht als jongeman en later als man.

9
Dat was bi diepen niede
Dat hare dat grote ghesciede,
Dat die edel minne uut wert ghelaten
Dien edele wive,
Van hoghen prise
Met overvloedegher maten;
Want si el ne woude, noch haerre el ne was,
So hadse al daer elc af las.
Dus heeftse dat conduut gheleit,
Dat elker oetmoedegher herten es ghereit.

Het kwam door haar diep verlangen
dat grote dingen aan haar geschiedden;
dat de edele minne werd uitgestort
in deze edele vrouw,
hoog geprezen
in overvloedige mate.
Want niets anders wou zij en was voor haar van belang:
zo bezat ze alles waarover ieder heeft gelezen.
Zo heeft zij het kanaal uitgelegd dat
open staat voor elk ootmoedig hart.

De laatste zinnen zijn niet meteen duidelijk te vertalen. Veerle Fraeters en Frank Willaert stellen deze vertaling voor. Zij lijkt mij zinnig mede gezien de mystieke beleving van Hadewijch. Voor haar is Maria dermate belangrijk, omdat zij een open kanaal heeft gemaakt tussen God die Liefde is en de mens. Door dit kanaal kunnen beiden in elkaar vol vloeien.

10
Die propheten ende al hare kinder
Offerden scape ende rinder:
Dat was hare sacrament.
Si daden hen metten bloede striken.
Hare sacramente waren gheliken;
Eer marien dat hoghe prosent,
Die sone, ghesindet wart vanden vader.
Nu comt ten groten etenne allegader,
– Die brulocht es ghereet –
Die de minne vindet gheciert in brulochtcleet.

De profeten en al hun nakomelingen
offerden schapen en runderen:
dat was hun sacrament.
Zij bestreken zich met bloed.
Hun sacramenten waren voorafbeeldingen
Tot aan Maria die hoge gave,
de Zoon, gezonden werd door de Vader.
Komt nu allen samen rond het grote maal
de bruiloft kan beginnen,
voor wie de minne vindt, getooid in het bruiloftskleed.

11
Onser vriende der propheten
Harer doghet en doech vergheten:
Si was scone ende claer;
Si dogheden alendicheit
Ende grote bitterheit
Der wet wel menich jaer.
Hare sacramenten waren bi gheliken.
Dat si daer vore wouden wiken
Men maechs hen dancken wel,
Al segghic dat marien was el.

Van onze vrienden, de profeten
mag men hun deugdzaamheid nooit vergeten;
die was mooi en duidelijk.
Zij ondergingen de ellende
en de zeer bittere smaak
van de wet, wel vele jaren lang.
Hun sacramenten waren voorafbeeldingen.
Dat zij daarvoor wilden buigen,
daar mag men hen best dankbaar voor zijn.
Al zeg ik wel, dat met Maria alles anders werd.

12
Oetmoedeghe vrie sinne,
Wildi gheheel al minne
Also minne hare selven levet,
Ic rade u: dore trouwe,
al lidi rouwe
Vertijt alles ende beghevet.
So wert u herte wijt ende diep;
So sal u comen dat conduut dat liep
Marien sonder mate.
Bidt der hogher trouwen dat sijt u vloyen late.

Want hogher trouwen es bevolen,
Al die oetmoedicheit dore dolen
Dat sise volleiden sal
Daer maria es met minnen een in al.

Ootmoedige, vrije zielen,
willen jullie de minne helemaal
zoals minne in haar zelf leeft,
dan raad ik jullie aan: blijf trouw
al lijdt u pijn.
Verzaak aan alles, laat alles los,
dan wordt uw hart wijd en diep.
Dan komt het kanaal bij jullie
dat overvloedig naar Maria liep.
Bidt aan de hoge trouw, dat zij het jullie toevloeien laat.

Want aan de hoge trouw wordt opgedragen
zij die het avontuur van de ootmoed doorleven;
dat zij het ten einde toe volbrengen
tot waar Maria is: in minne, een in alles.

Ontroerend is hoe Hadewijch Maria maakt tot draagster van Minne van God uit en van de mens uit. Maria geeft de ruimte aan God om mens te worden. Zij geeft ook de ruimte aan de menselijke ziel, om groot, wijd en diep te worden, zoals het in haar Visioenen klinkt. Maria geeft ons een belangrijke sleutel om bij Gods Liefde te komen: de ootmoed. In de kern is dat dus niets anders dan tegen Gods Liefde zeggen: Mij geschiede naar Uw wil.” Hiermee wordt dus geen slaafse navolging bedoeld. Het is van haar een bewuste, vrijmoedige keuze.

Of anders gezegd: de sterkste mensen bouwen op de zachte krachten van Gods Liefde want die krachten overwinnen uiteindelijk.