Lied 16 gaat over de hunkering, de drang van de mens om Gods Liefde te ervaren. die in de mens hunkert. Jozef van Mierlo schreef over dit lied: “een der machtigste smartenkreten die de drang naar de Liefde ooit aan een menselijk hart heeft ontrukt” en “het is een dramatisch gedicht om de worsteling in de ziel zelf die te pletter gedreven onder de machtige druk van de smart, toch nog opstijgt.” Dit klinkt al door in het begin van het lied.

1
Als hem die tijt vernuwen sal,
Nochtan es berch ende dal
Wel doncker ende ontsiene overal;
Doch gheet die basel bloyen.
Al hevet die minnare ongheval,
Hi sal in allen groyen.
2
Wat hulpet hem bliscap ochte tijd
Die gherne in minnen name delijt,
Ende niet en vint, inder werelt wijt,
Daer hi met trouwen op mach rusten
Ende vri toe segghen: ‘lief, ghi sijt
Die minen gront mach custen.’
3
Wat mach hem bliscap ommevaen,
Die minne in hachten heeft inghe ghedaen
Ende die de wijdde van minnen woude ommegaen
Ende vri ghebruken in trouwen?
Meer dan sterren anden hemel staen,
Hevet die minne dan rouwen.
4
Dat ghetal dire rouwen moet sijn ghesweghen.
Die grote sware waghen bliven ongheweghen;
Daer ne gheet gheen ghelike jeghen.
So eest best dat mens begheve.
Al es mijn deel clene, ic hebber verdreghen;
Mi gruwelt dat ic leve.
5
Hoe mach hem gruwelen ende rouwen tleven,
Die sijn al hevet op al ghegheven,
Ende in donckeren dole wert verre verdreven,
Daer hi meer ne waent doen kere,
Ende in onthopenden storme al wert tewereven;
Wat rouwen gheliket dien sere?

           (Werkvertaling Adrie Lint)
1
Nu het jaargetij zich vernieuwt,
zijn berg en dal evenwel
erg donker en lelijk overal.
Toch gaat de hazelaar bloeien.
Al heeft de minnaar tegenspoed,
hij zal door alles heen groeien.
2
Wat baat hem blijdschap of het jaargetij,
die graag in minne vreugde wou ontvangen
maar niets vindt, wereldwijd,
waarop hij vol vertrouwen kan steunen
en tot wie hij vrij kan zeggen: “Lief, jij bent
degene die de grond van mijn ziel vrede kan geven.
3
Hoe kan blijdschap hem omgeven
die zo gebonden is in de boeien van minne
en juist in de weidsheid van minne wilde verkeren
en haar vrij genieten, trouw aan haar.
Meer dan er sterren aan de hemel staan
geeft minne dan aan smarten.
4
Het aantal van haar smarten is niet te zeggen.
Hun grote en zware lasten zijn niet te wegen.
Niets valt ermee te vergelijken.
Daarom kan men dat ook beter niet proberen.
Al is mijn deel klein, ik heb ze verdragen.
Het gruwt me dat ik leef.
5
Hoe kan hij om het leven gruwen en het berouwen
die heel zijn leven alles op alles heeft gezet
en nu in donkere dwaalwegen ver weg wordt gedreven.
vanwaar hij niet meer denkt terug te keren,
en waar hij door een storm van wanhoop wordt verpulverd.
Welke smart lijkt op deze pijn?

De laatste zinnen verwijzen naar het tiende hoofdstuk van het boek Job. “Mijn ziel walgt van mijn leven” klaagt Job (10,1). Job spreekt ook van een ver land waar hij naar verjaagd wordt en waarvan hij nooit zal terugkeren. God zal de goede Job herleiden “verpulveren” tot stof. Hoe vreugdevol en extatisch de minne ook kan zijn, wanneer zij wegblijft wordt de ziel van Hadewijch veranderd in diepe smart. De krachtig hoop die de minne geschonken heeft slaat om in wanhoop. De wanhoop staat bij Hadewijch voor het diepe gevoel dat zij tekort schiet voor Gods Liefde. Dat zij onvoldoende is voor wat Gods Liefde van haar verwacht. Zij voelt zich een wanhopige minnaar. De volgende strofe richt zich tot mensen die minnen maar niet de gevoelens van wanhoop kennen.

6
Ay, ghi fiere, die als men minnen ghestaet
Ende vri leeft in hare toeverlaet,
Ontfarmt der verdeylder die minne verslaet
Ende met onthopenden ellende gheet nopen.
Och, die raets mach pleghen Leve vri in raet,
Mijn herte levet in onthopen.
7
Want ic sach ene lichte wolke opgaen
Over alle swerke, so scone ghedaen.
Ic waende met volre weelden saen
Vri spelen in die sonne.
Doen wordt mijn hoghe maer een waen!
Al storvic, wie es dies mi wanconne?
8
Doen sweec mi nacht over den dach.
Dat ic ye was gheboren, o wach!
Maer die sijn al ghevet op minnen sach,
Met minnen saelt wel orsaten noch minne.
Al bennic weder onder den slach,
God troest alle edele sinne.
9
Die minne es in allen beghinne gnoech
Doe mi minne eerst minnen ghewoech,
Ay, hoe ic met al hare al beloech!
Doen deedse me haeseselen slachten
Die in deemsteren tide bloyen vroech,
Ende men langhe hare vrocht moet wachten.
10
Die beiden mach, hem es wel ghesciet,
Tote dat minne sijn alle met al versiet.
Ay god! Dies en achtic niet,
Maer ic bens meer dan te ghemeder:
Der minnen ic doch mi selven al liet;
Maer mi dede dat wee al leder.

(Werkvertaling)
6
Ai, jullie krachtige mensen, die alles van minne doorstaan
en vrij leven in vertrouwen op haar,
ontferm u over de verdoemde die minne neerslaat
en met wanhopig makende ellende kwelt.
Och, wie hier raad op weet, leve vrij met die raad.
Maar mijn hart leeft in wanhoop.
7
Want zie: ik zag een heldere wolk opstijgen
boven het wolkendek, zo mooi gemaakt.
Ik waande mij weldra in volle weelde
vrij te spelen in de zon.
Toen bleek mijn grote geluk maar een waanbeeld!
Al stierf ik er aan, wie zou mij dat kwalijk nemen?
8
Toen viel voor mij de nacht over de dag heen,
dat ik ooit geboren werd, o wee!
Maar wie zich helemaal aan de macht van minne overgeeft,
zal door minne met minne beloond worden.
Al krijg ik weer de nodige klappen,
God troost alle edele zielen.
9
In het begin is minne altijd genoeg.
Toen minne mij voor het eerst over minne sprak,
ach, hoe ik met alles wat ik ben haar toen helemaal toelachte!
Toen liet ze mij op de hazelaars lijken,
die in het donkere jaargetij al vroeg bloeien
terwijl men nog lang op hun vruchten moet wachten.
10
Het gaat hem goed die wachten kan,
tot minne hem van alles voorziet.
Ay God! Dat vind ik ook niet erg.
Integendeel, ik ben er des te blijer om.
Ik gaf mezelf immers toch helemaal aan minne over.
Maar het verdriet deed mij steeds meer pijn.

Hoe overweldigend het eerste contact, de eerste ervaringen van minne ook geweest zijn, daarna werd het moeilijk voor Hadewijch. Haar verlangen naar minne brengt ook pijn met zich mee. Ze wil minne opnieuw ervaren en weer kunnen genieten van haar liefde. Zij herkent zich in het beeld van de hazelaar die heel vroeg in bloei staat, maar daarna moet men eindeloos wachten op haar vruchten. Ze bekijkt het nog rooskleurig: wachten geeft ook voldoening in de wetenschap dat minne uiteindelijk haar weer zal overkomen. Maar ze voegt er meteen aan toe dat de pijn van het wachten aar steeds meer pijn doet.

11
Dat es den minnare al te swaer:
Na minne te dolen ende hine weet waer,
Het si in deemsterheit ende in claer,
In abolghe ochte in minne, gave minne
Hare ghewareghe troest openbaer,
Dat custe alendeghe sinne.
12
Ay, liet mi mijn lief lieve van minne ontfaen,
Daeromme en worde minne niet al verdaen,
Ende so en ware gheen hoghe maer een waen.
Dat waer groot jammer dat het ghesciede.
Ay, den edelen fieren doe god verstaen
Wat selke scade bediede.
13
Ay, wat ic meine ende hebbe ghemeent,
Heeft god den edelen wel versceent
Dien hi quale van minnen heeft verleent
Omme ghebruken van minnen natuere.
Eert al met al wert vereent,
Smaect men bitteren suere.

Der Minnen comen troest,
hare ophouden versleet:
Dat swert die avontuere.
Ay, hoe men al met al beveet,
Dat en weten ghene vremde ghebuere.

(Werkvertaling)
11
Dit valt de minnaar al te zwaar:
dwalend naar minne te zoeken, en niet te weten waar zij is
in duisternis of in helder licht,
in haat of in liefde. Gaf minne
nu eens echt haar waarachtige troost,
dat zou de ellendige zielen vrede geven.
12
Ay, als mijn lief alle liefs van minne ontvangen,
daarmee zou minne niet helemaal opgebruikt zijn
en dan zou mijn grote geluk geen waanbeeld zijn.
Het zou erg jammer zijn als dat gebeurde.
Ay, moge God de edele fiere zielen duidelijk maken
wat zo’n verlies zou betekenen.
13
Ay, wat ik bedoel en altijd gedacht heb,
heeft God de edele zielen wel bijgebracht:
aan wie hij minnepijn heeft verleend
om genietend op te gaan in de minne.
Voordat alles met alles verenigd wordt,
proeft men wat bitter is en zuur.

Het komen van minne brengt troost,
haar uitblijven verslagenheid:
dat bevestigt het avontuur.
Ach, hoe men dit alles bevatten moet
daarvan hebben buitenstaanders geen weet.