1

1. Al treuren het jaargetij en de vogeltjes,
2. Dat mag het edele hart niet doen
3. Dat, door minne aangespoord, pijnlijke inspanning wil doorstaan;
4. Dat hart moet alles weten en ervaren,
5. Zoet en wreed,
6. Lief en leed,
7. Wat men moet ondervinden~beoefenen om tot minne te geraken.

2

8. De fieren, die ertegen zijn opgewassen
9. Zich toe te leggen op de onverzadigbare minne,
10. Zij moeten op alle paden die naar minne leiden
11. Stoutmoedig en vermetel zijn
12. En volkomen bereid te ontvangen
13. Hetzij troost, hetzij tegenslag,
14. Door toedoen van minnen.

3

15. Het is ongehoord zoals de minne handelt,
16. Zoals degene, die er ondervinding van heeft, wel weet,
17. Want ineens verwoest zij de vertroosting.
18. Hij heeft rust noch duur
19. Die door minne geraakt is,
20. Hij doorsmaakt blijvend
21. Vele onnoembare uren.

4

22. Soms is ze heet, soms koud,
23. Soms bedeesd, soms onvervaard,
24. Haar ongedurigheid uit zich op vele manieren.
25. De minne is een en al opeisen
26. Van de grote schuld
27. Die wíj moeten voldoen aan haar alvermogende heerschappij
28. Waartoe zij ons aanzet.

 

5

29. Soms is ze lief, soms hatelijk,
30. Soms afstandelijk, soms voor het grijpen:
31. Wie dit, met de trouw die minne eigen is, doorziet,
32. Dat is jubileren:
33. Hoe minne neerslaat
34. En amhelst
35. In één gebaar.

6

36. Soms zijn ze terneergeslagen, soms verheugd,
37. Soms begrijpen ze er niets van, soms is hun alles duidelijk.
38. Voordat zo iemand door minne wordt gezoogd
39. Heeft hij zware beproevingen te doorstaan,
40. Voordat hij daar terecht komt
41. Waar hij doorproeft
42. Het wezen van minne.

7

43. Soms valt het hen licht, soms valt het hen zwaar,
44. Soms is het hen duister, soms is het doorzichtig voor hen;
45. In onbekommerde vertroosting, in (on)beheerste vreze
46. In nemen en in 9even
47. Moeten zij
48. Die dolen in minne
49. Altijd hier leven.

 

Uit: Marieke Baest, Fiere Herte doelt na minen gronde, doctoraalscriptie Tilburg, 1984.