Het 35e lied is misschien wel een van de meest trieste liederen van Hadewijch. Het spreekt veel mensen bijzonder aan. Zou het door haar openheid en moed komen waarmee zij over haar eigen somberheid en eenzaamheid vertelt? Ook een ander motief speelt hier een intrigerende rol. Hadewijch klaagt over de minne: het is een persoonlijke welgemeende klacht tegen God. Zo’n aanklacht staat dicht bij de beleving van de moderne mens.

1                                                             (Werkvertaling Adrie Lint)
De tijd van het jaar is donker en koud,
Daarom zijn de vogels en de dieren droef.
De harten hebben heel wat anders te lijden,
die weet hebben van hun dappere natuur
en aan wie minne toch onthouden blijft.
Wie er ook stijgt, ik blijf in een dal,
voor mij geen rijkelijke steun,
steeds blijf ik met zware lasten overladen.

2
Die last is mij veel te zwaar,
nooit wordt hij minder, hoe hoog ook de nood.
Hoe zou een hart het daarmee kunnen uithouden,
dat zoveel doden moet sterven
als hij moet meemaken die weet
dat hij nimmer door de minne wordt gemind
en dat ze alles weigert wat ze krijgt:
haar hulp, haar troost en toeverlaat.

Wie zich zoals Hadewijch niet bemind voelt door minne, voelt zich doods en  “ellendig”. “Ellendig” betekent voor Hadewijch letterlijk alleen gelaten, in de steek gelaten door de minne. Daar komt nog bij dat Hadewijch bekennen moet dat zij niet gemakkelijk hulp, troost en toeverlaat durft te ontvangen.

3
En als minne mij niet met minne wil ontvangen,
waartoe werd ik dan ooit geboren?
Ben ik dus voor minne afgedaan,
dan ben ik vast en zeker verloren.
Zo moet ik steen en been klagen,
mijn leven lang, van nu af aan.
Ik hoop niet meer op enig geluk,
omdat zo minne voor mij onbereikbaar blijft.

In het gehele lied klinkt het bijbelboek Job door. Sommige passages verwijzen rechtstreeks naar de klaagzang van Job. Hadewijch voelt zich afgewezen door minne. Waartoe werd zij dan geboren? Wat kan het leven dan voor doel hebben, als  minne niet te bereiken is ?  Zij smeekt minne om genade.

4
Ik toonde minne mijn pijn.
Ik bad haar om genade.
Zij gaf me met haar handelswijze te verstaan
dat ze daar zin nog tijd voor had.
Wat er met mij gebeurt, blijft haar helemaal om het even.
Hoe ze me ooit gunstig gezind scheen,
ben ik vergeten door haar vreemde ommekeer.
Daarom leef ik overdag alsof het nacht is.

5
Waar is minne heen? Ik vind haar niet.
Minne heeft mij alle minne ontzegd.
Was het mij ooit overkomen dat ik door minne
één uur had mogen leven
in haar genegenheid – hoe het ook met mij gesteld was –
dan zou ik troost zoeken in haar trouw.
Nu moet ik echter zwijgen, lijden en verduren
de scherpe veroordelingen, telkens weer opnieuw.

6
De veroordelingen dat minne zo onbereikbaar
moet blijven voor mij, verzuren mijn leven.
dat minne mij zo onthouden wordt.
Al wilde ik naar haar gunsten dingen,
dat zou me niet baten of lukken.
Ontroostbaarheid heeft mij zo in de greep,
dat ik geen troost kan ontvangen,
die mijn hart kan bevrijden
van die ongehoorde rampspoed.

7
Minne, jij was bij het beraad,
waar God mij opriep als mens te leven.
Jij wilde dat ik in ongenade leef.
Het is jouw schuld, wat mij overkomt.
Ik dacht door minne bemind te zijn!
Dat is mij ontzegd, zo lijkt het me.
Mijn toeverlaat, mijn hoge veronderstellingen
zijn nu helemaal tot rouw vergaan.

De eerste twee zinnen kunnen verschillende betekenissen hebben die allemaal plausibel zijn. In de originele tekst staat: “Minne, ghi waert daer te rade / daer mi God mensche wesen hiet. Het kan verwijzen naar de geboorte van de mens, het wilsbesluit van God dat de mes geboren wordt. Dan betekent het zoiets als: “Minne, jij was bij de goddelijke beraadslaging, toen God mij als mens in het leven riep.” Om daarmee te benadrukken dat Minne al vanaf het eerste ontstaan van het leven actief aanwezig is.

Een andere betekenis zou verwijzen naar de mystieke opvattingen van Hadewijch. In haar visioenen krijgt Hadewijch met de hulp van Jezus Christus een goddelijke inzicht: om als mens te leven. Zij vraagt zich namelijk af of zij niet beter af is wanneer zij meteen naar de hemel gaat. Want in de hemel zou ze immers voortdurend kunnen genieten van de mystieke eenwording met Minne. Ze krijgt echter het mystieke inzicht dat het niet aan haar is om nu al in de hemel te komen. God heeft haar niet daarvoor op de wereld gezet. Zo is Jezus Christus ook niet op de wereld gekomen om God te zijn, maar om mens te zijn. Hadwijch heeft nog een belangrijke taak op de aardse wereld: goed te leven en haar leerlingen te begeleiden. Vanuit deze achtergrond kunnen de twee zinnen ook vertaald worden met: “Minne, jij was bij het spirituele gesprek, waarin God mij opriep om mens te zijn.”

8
Zo zoet als minne eigenlijk is,
waar haalt ze toch ie vreemde nijd vandaan,
die ze altijd op mij richt
en als een storm door het diepst van mijn hart snijdt.
Ik dool in het duister zonder licht,
zonder bevrijdende troost, in vreemde angst.
Geef, minne, minne aan de edele fiere minnaar
en voltooi in mij al wat je begonnen bent.

9
Minne heeft mij echt bedrogen.
Bij wie zal ik nu om raad vragen ?
Alleen bij trouw, als ze me wil ontvangen,
dat zij mij, vanwege het goede werk dat zij is,
naar minne leidt, zodat ik mij geheel en al
aan haar kan geven, in de hoop dat zij er prijs op stelt.
Ik bid haar niet om troost en niet om raad,
alleen dat ze mij als de hare erkent.

Zoals in de Middeleeuwen gebruikelijk was, personifieert Hadewijch diverse eigenschappen en vermogens van de mens. Zo is bijvoorbeeld het verstandelijk vermogen voor haar de rede, waarmee ze in gesprek kan gaan. Ook minne  spreekt ze vaak aan als persoon. Bij wie zal ze nu om raad vragen, nu minne haar bedrogen heeft?

10
Ay, minne, doe maar wat jij wilt.
Uw recht is de troost die mij het meest aan het hart ligt.
Daarnaar wil ik mij helemaal voegen,
hetzij als gevangene, hetzij als verloste.
Jouw liefste wil, wil ik voor alles
volbrengen, in ellende, dood of ongeluk.
Geef, minne, dat ik u ervaren mag als minne.
Dat is grotere rijkdom dan alle winnen.

De originele tekst van het lied:

Die tijt is doncker ende cout:
Dies druven voghele ende dier.
Die herten doghen el menichfout,
Die kinnen hare natuere fier
Ende hen dan minne ontbliven sal.
Wie oprijst, ic blive in tdal,
Van riken troeste onberaden,
Met swaren waghen altoes gheladen.

Die waghe es mi alte swaer,
Die niet en leghet bi ghere noet;
Hoe mochte een herte ghedueren daer,
Die liden moet so meneghe doet
Als hi ghesmaect, die hem bekint
Altoes van minnen onghemint,
Ende al ontseghet wien si ontfaet
Hulpe ende troest ende toeverlaet.

En wilt minne mi minne niet ontfaen,
Wat soudic dan ye gheboren?
Benic vore minne dus ontdaen,
So benic sonder waen verloren;
So magic claghen wets na wee
Al minen tijt voert ane mee,
Sone hopic niet na gheen gheval,
Sint minne mi dus ontbliven sal.

Ic toende der minnen mine pine;
Ic bad hare dat sire hadde ghenade;
Si dede mi met ghelate in scine
Dat sijs en hadde wille noch stade.
Wat mi ghesciet dats hare al een.
Hoe si mi ye in onsten sceen
Hebben mi hare vremde kere ontgheven.
Des moetic nachte bi daghe leven.

Waer henen es minne? In vinder niet.
Minne heeft mi al minne ontseghet.
Waer mi dat ye bi minnen ghesciet
Dat ic een ure hadde ghelevet
In hare hulde, hoe soet mi staet,
So sochtic ane hare trouwe aflaet;
Nu moetic swighen, doghen ende dueren
Scarp ordel met nuwen uren.

Die vonnessen doen mi bederven,
Dat minne mi dus ontbliven moet.
Al woudic om hare hulde werven,
Daertoe en hebbic gheluc no spoet.
Mestroest heeft mi so wederstaen,
In can confoert en gheen ontfaen,
Die miere herten ontkeren mach
Dien onghehoerden wederslach.

Minne, ghi waert daer te rade
Daer mi god mensche wesen hiet.
Gi meinet mi in onghenade;
Si al u scout wat mi ghesciet.
Ic waende van minnen ghemint zijn;
Ic ben ontseghet, dats mi in schijn.
Mijn toeverlaet, mijn hoghe waen
Es mi te rouwen al vergaen.

So soete natuere als minne si,
Waer machsi nemen vremden nijt
Dien si alle uren sticht op mi,
Ende miere herten gront met storme doresnijt?
Ic dole in deemsterheit sonder claer,
Buten vrien troeste, in vremden vaer;
Gheeft, minne, den edelen fieren minne
Ende voldoet in mi al uwe beghinne.

Minne heeft mi recht loes ghedaen;
Ane wiene salic nu soeken raet?
Dats ane trouwe: wilt si mi ontfaen,
Dat si mi om hare hoghe daet
Vore minne gheleide, dat ic hare mochte
Mi al op gheven, ocht sijs iet rochte;
Ic bidde hare troeste noch raet en ghene,
Dan si mi hare bekinne allene.

Ay, minne, doet al u ghenoeghen;
Uwe recht, dat es mijn naeste troest;
Ic wille met al mi daer toe voeghen,
Het si ghevanghen, ocht verloest,
Uwen liefste wille willic vore al
Ghestaen, in quale, in doet, in mesval.
Ghevet, minne, dat ic u minne bekinne:
Dats rijcheit boven alle ghewinne.