Het eerste lied bevat en groet aan de toehoorders. “Vale, vale millies” dicht Hadewijch en ze maakt gebruik van een Latijnse uitdrukking: “Heil, duizend maal heil”. In elke strofe herhaalt ze deze groet. Hadewijch drukt haar lezers op het hart dat de minne niet alleen vreugde met zich mee brengt, maar ook lijden. Bijvoorbeeld door haar afwezigheid: de geneugten van de minne is er niet altijd. Het hart van de mens die verlangt naar de minne, voelt zich niet bevredigd, zolang de minne  haar niet het zoet laat smaken.

 

Ook mensen die Hadewijch veroordelen om haar leven en opvattingen veroorzaken haar veel ellende. Terwijl juist mensen niet mogen veroordelen, want het is alleen aan God om te oordelen. Alle ellende ontneemt de zin aan haar bestaan en ze vraagt zich af of ze nog wel kan leven.

 

Maar ondanks al haar ellende blijft Hadewijch volharden in die minne.  Waar het haar om gaat is dat juist deze ellende aanvaarden haar voordeel kan zijn. Het maakt het verlangen naar de minne groter. Lijden aanvaarden, zo zal vooral ook elders blijken, hoort bij de weg van de minne. Moge God aan haar en aan al die in de minne geloven nieuwe vurigheid geven, om met nieuwe kracht alles wat de minne oproep te kunnen doorstaan.

 

1
Ay, al es nu die winter cout,
Cort die daghe ende die nachte langhe,
Ons naket saen een somer stout
Die ons ute dien bedwanghe
Schiere sal bringhen; dat es in schine
Bi desen nuwen jare;
Die hasel brinct ons bloemen fine;
Dat es een teken openbare
– Ay, vale, vale millies –
(10) Ghi alle die nuwen tide
– Si dixero, non satis est –
Om minne wilt wesen blide.

 

1  (Werkvertaling A.Lint)
Ach, al is de winter nu koud,
de dagen kort en de nachten lang,
weldra komt ons een krachtige zomer toe,
die ons uit die verdrukking snel zal bevrijden.
Dat blijkt al aan dit nieuwe jaar:
de hazelaar brengt ons mooie bloemen.
Dat is een duidelijk teken.
– Ay vale, vale millies, si dixero, non satis est –
– Ach heil, duizendmaal heil aan jullie allen –
die in dit nieuwe jaargetijde om minne blij willen zijn,
als ik het zal zeggen, is het nog niet genoeg.

 

Hadewijch (H) maakt gebruik van de Natureingang. Het sombere en koude winterweer geven treffend haar gemoedstoestand weer: bedrukt is ze om de ellende die de strijd om de minne haar oplevert. Maar na de winter kondigt een nieuw jaar zich aan, zo hoopt ze. Zoals de lente de winter verdrijft, zo mogen de minnaars nieuwe vurigheid krijgen al het lief en leed van de minne te doorstaan. Wie zijn deze ‘aan jullie’, voor wie zij haar liederen maakt? Waarschijnlijk doelt zij op haar religieuze vriendinnen voor zij een spirituele leidster is. (mystagogisch).

 

2
Ende die van fieren moede sijn,
Wat storme hen dore die minne
Ontmoet, ontfaense also fijn
Alse: dit es daer ic al an winne
Ende winnen sal; God gheve mi al
Datter minnen best become;
Na haerre ghenuechten weghe, mesval
(20) Si mi die meeste vrome.
– Ay, vale, vale millies –
Ghi alle die avontuere
-Si dixero, non satis est –
Wilt doghen om minnen natuere.

 

3
Ay, wat salic doen, alendech wijf?
Met rechte maghic tghelucke wel haten.
Mi rouwet wel sere mijn lijf:
Ic en mach minnen noch laten.
Te rechte mi es beide fel
(30) Gheluc ende avontuere;
Ic dole mijns, en es niemant el;
Dat scijnt teghen natuere.
– Ay, vale, vale millies –
U allen laet dies ontfaermen
– Si dixero, non satis est –
Dat minne mi dus laet carmen.

 

2                 (In vertaling)
En wie een dapper hart hebben;
met welke stormen zij door de minne ook
bestookt worden, zij vangen ze knap op,
alsof ze zeggen: “Dit is het waarmee ik alles overwin
en overwinnen zal. Moge God mij alles geven
wat de minne het meest bevalt.
Als zij het wenst, wil ik tegenspoed
als mijn grootste voordeel aanvaarden.
– Ay vale, vale millies –
Gegroet, jullie allen die avonturen
– si dixero, non satis est –
om de minne willen doorstaan.

 

3
Ach, wat zal ik doen, rampzalige vrouw?
Terecht mag ik het geluk wel haten.
Mijn leven verdriet mij zeer.
Ik kan niet minnen maar het ook niet laten.
Terecht zijn beiden even wreed voor mij,
geluk en avontuur;
ik loop verloren, niemand anders is met mij;
dat lijkt tegennatuurlijk
– Ay vale, vale millies –
Gegroet, jullie allen die in dit nieuwe jaargetijde
– si dixero, non satis est –
om minne blij willen zijn.

 

Veel van de beelden die H gebruikt hebben te maken met de hoofse symboliek van het ridderschap, zoals gevecht, strijden, aanval, avonturen, spel, overwinnen, etc.
Een gedachte die meer mystici oproepen: hoe gruwelijk het is dat zij of hij niet met God verbonden kan zijn. Maar dat ongeluk kan aanvaard worden, als een voordeel om dat men naar God verlangt. “Alen-dich” verwijst ook naar alleen, zonder steun van vriendinnen.

 

‘Mijn leven verdriet mij zeer’ is een letterlijke aanhaling van Job 9,21. In het vervolg wordt steeds naar het boek Job verwezen. Hier vergelijkt H zichzelf met de positie van Job. In haar tijd was Job een geliefd beeld voor de lijdende Christus, die hiermee al in het Oude Testament wordt aangekondigd. In de ogen van de Middeleeuwers was Job een voorafbeelding van Jezus.

 

4
Ay, ic was ie op die minne stout,
Sint icse ierst hoerde noemen,
Ende verliet mi op hare vri ghewout;
Dies willen mi alle doemen,
Vriende ende vreemde, jonghe ende out,
Dien ic in allen sinnen
Diende ye ende was van herten hout,
Ende onste hen allen der minnen.
– Ay, vale, vale, millies –
Ic rade hen datsi niene sparen,
– Si dixero, non satis est –
Hoe ic hebbe ghevaren.

 

5
Ay, arme, ic en mach mi selven niet
Doen leven noch sterven!
Ay, soete God, wat es mi ghesciet,
Dat mi die lieden bederven?
Lietense u mi allene doch slaen,
Ghi soudet best gheraden
Na rechte, al dat ic hebbe mesdaen,
Ende bleven buten scaden.
– Ay, vale, vale, millies –
Die Gode niet ghewerden en laten,
– Si dixero, non satis est –
(60)Ende niet en minnen, ende haten.

 

6
Die wile dat si sijn over mi,
Wie sal hare lief dan minnen?
Si ghinghen bat hare weghe vri,
Daer si u leerden kinnen;
Si willen u te hulpen staen
Met mi, dies clene behoeven.
Ghi cont na recht soenen ende slaen,
Ende met claerre waerheit proeven.
– Ay, vale, vale, millies –
(70) Alle die met Gode plechten,
– Si dixero, non satis est –
In soenen ende in rechten.

 

4                (In vertaling)
Ach, altijd heb ik op de minne vertrouwd,
sinds ik voor het eerst over haar hoorde spreken,
en ik mij over liet aan haar soevereine macht.
Daarom wil iedereen mij veroordelen, vrienden en vreemden, jong en oud,
die ik toch in alle opzichten steeds diende en van harte toegenegen was,
en die ik allen de minne gunde.
– Ay vale, vale millies –
Gegroet, ik raad hen aan er helemaal voor te gaan
– si dixero, non satis est –
hoe slecht het ook met mij is vergaan.

 

5
Ach, arme toch, ik heb niet de macht mijzelf
te doen leven noch te sterven.
Ach, lieve God, wat is mij toch overkomen
dat de mensen mij te gronde richten?
Lieten ze het maar aan U alleen over om mij te treffen;
U zoudt het beste kunnen uitmaken,
volgens het recht, al wat ik misdaan heb,
en dan zouden zij geen schade lijden.
– Ay vale, vale millies –
Gegroet, die God niet laten begaan
– si dixero, non satis est –
en niet minnen, maar haten.

 

6
In de tijd dat zij zich zo druk met mij bezig houden,
wie moet hun lief dan minnen?
Ze zouden beter hun eigen, vrije weg gaan
waar zij U leerden kennen.
Ze willen U behulpzaam zijn
waar het mij betreft, wat echt niet nodig is.
Gij kunt mij volgens het recht vrijspreken of straffen
en met zuivere waarheid op de proef stellen.
– Ay vale, vale millies –
Gegroet, allen die de kant van God kiezen
– si dixero, non satis est –
in vrijspreken en berechten.

 

Mensen veroordelen Hadewijch en haar inzet voor de minne. Zij verzucht dat mensen  haar daarom toch niet mogen veroordelen. Klinkt hier de Inquisitie in door? Of andere negatieve ervaringen die zij met kerkelijke overheden heeft gehad? Hadewijch brengt in dat alleen God het recht en de macht heeft om te oordelen.

 

Wordt de ellende voor haar hier zo groot dat zij zichzelf van het leven heeft willen benemen? Zoiets klinkt door in haar vragen. Het antwoord is sterk: alleen God doet leven en sterven, dat komt niet aan mensen toe.

 

Haar kritiek wordt scherper: waar mensen oordelen vellen, staan zij tegenover Gods Minne: zij minnen niet, maar haten. En zij adviseert de mensen die oordelen om hun tijd beter te gebruiken: God lief te hebben.

 

7
Ay, salamon ontradet dat werc,
Dat wij niet en ondersoeken
Die dinghen die ons sijn te sterc,
Noch dat wi niet en roeken
Hogher dinghen dan wij sijn,
Dat wij die ondervenden,
Ende laten ons die minne fijn
(80) Vri maken ende benden.
– Ay, vale, vale, millies –
Die ter hogher minnen rade
– Si dixero, non satis est –
Volclemt van grade te grade.

 

7            (In vertaling)
Ach, Salomon raadt ons af, ons bezig te houden met dingen
te onderzoeken die ons te sterk zijn
en ons ook niet in te laten
met dingen die ons te boven gaan:
dat wij die uit ervaring leren kennen.
Maar hij raadt ons aan dat de edele minne
ons laat vrij maken en binden.
– Ay vale, vale millies –
Gegroet, wie naar de raad van de hoge minne
– si dixero, non satis est –
opklimt van trede tot trede.

 

Van Mierlo verwijst hierbij naar een in de Middeleeuwen wijds bekende tekst die aan Salomon werd toegeschreven: “Ga de dingen niet na die u te boven gaan en onderzoek niet wat u te sterk is.” (Eccl. 3,22). H gebruikt de zin dus net omgekeerd.
De onmacht van de mens lijdt tenslotte naar een lofzang op de goddelijke wijsheid in de volgende strofe.

 

8
Der menschen sinne sijn so clene,
Daer mach God wel vele boven;
God es van allen wijs allene:
Dies salmen alles hem loven,
Ende laten hem sijn ambacht doen,
In wreken ende in ghedoghen.
Hem en es gheen werc so verre ontvloen
En comt hem al vore oghen.
– Ay, vale, vale, millies –
Die hen der minnen volgheven,
– Si dixero, non satis est –
Ende haren oghen ghenoech volleven.

 

9
God moet ons gheven nuwen sin
ter edelre minnen ende vrie,
Dat wij so nuwe leven daer in,
Dat ons die minne ghebenedie
Ende nuwe make met nuwen smake,
Die si can nuwe volgheven;
Die minne es nuwe gheweldeghe orsate
Dien, die der minnen al nuwe volleven.
– Ay, vale, vale, millies –
Dat nuwe der nuwer minnen
– Si dixero, non satis est –
Dat nuwe wilt nuwe bekinnen.

 

8             (In vertaling)
De vermogens van de mensen zijn zo klein,
waar God waarachtig zo veel meer kan.
Want God is wijs, en Hij alleen;
daarom zal men Hem om alles prijzen
en Hem zijn werk laten verrichten,
of hij nu wraak neemt of gedoogt.
Geen enkele daad ligt zo ver buiten zijn gezichtsveld
dat die Hem helemaal voor ogen staat.
– Ay vale, vale millies –
Gegroet, wie zich ten volle aan de minne geven
– si dixero, non satis est –
en in haar ogen ten volle gaan leven en genoeg.

 

9
Moge God ons een nieuwe zin aan ons bestaan geven
naar minne toe die edel is en vrijmoedig.
Dat wij in haar op zo’n nieuwe wijze gaan leven
dat de minne ons haar zegen geeft
en ons nieuw maakt met een nieuwe smaak,
die ze altijd nieuw kan geven.
De minne is een nieuwe, overweldigende beloning
voor wie op een nieuwe wijze voor de minne leven.
– Ay vale, vale millies –
Gegroet, het nieuwe van de nieuwe minne
– si dixero, non satis est –
wil dat nieuwe op nieuwe wijze ervaren.

 

De Natureingang, die Hadewijch zo lief is, raakt een gevoelige snaar. Wat er in de natuur gebeurt, zoals de wisseling van een seizoen, gebeurt ook in een mens. Als mens zijn wij veel dieper met de natuur verbonden, dan alleen maar met onze behoeften. Een mens leeft van de natuur. Zij of hij is er afhankelijk van: voedsel, licht, adem, ruimte, geboorte, enzovoort. De natuur biedt schoonheid; onvoorstelbaar wonderlijk is zij. In de natuur ervaren we ook hoe Gods Liefde alles zo mooi geschapen heeft.

 

En er is nog veel meer. Natuur en mens zijn in wezen met elkaar verbonden. Dat ervaart Hadewijch, zo lezen we in haar gedichten. Het bloeien van de hazelaar gebeurt buiten, maar tegelijkertijd ook in onze ziel. Het is het een en het ander, op elkaar afgestemd, door Leven en Liefde met elkaar verbonden. Wat er in de natuur gebeurt is niet enkel een metafoor voor wat er in een mensenziel gebeurt. Het is nauw aan elkaar verwant. Er is een diepe vriendschapsband tussen alles wat bestaat. Daarom spreekt sint Franciscus ook van ‘broeder zon en zuster maan’. Hadewijch opent onze ogen voor die verwantschap.

 

Waarom zouden wij nog op Gods Liefde vertrouwen wanneer we onszelf ‘ellendich’ voelen en zelfs door God in de steek gelaten? Heeft dat dan nog zin? Hadewijch geeft aan dat het enige wat haar rest is om toch als mens te blijven vertrouwen. Want de minne heeft een onuitputtelijk verlangen in haar gelegd: om met Gods Liefde verenigd te worden. Als de minne geen geluk brengt, blijft dit verlangen. Hadewijch blijft God vragen om een nieuwe liefdeskracht te geven. Haar enige antwoord op lijden is om te blijven minnen. Als Gods Liefde betwijfeld wordt, spoort Hadewijch aan om te blijven minnen, telkens weer opnieuw met nieuwe kracht.

 

Haar uitspraken over het veroordelen van mensen blijven actueel. Alleen Gods Liefde (dus niet de straffende God die ongenaakbaar ver weg van de mensen is, hoog in de hoogste hemel!) en alleen Gods Liefde heeft het recht om een oordeel over mensen te vellen. Je kunt je tijd wel beter gebruiken dan een oordeel over andere mensen te vellen, zegt Hadewijch. Probeer ze lief te hebben in plaats van te veroordelen.