1
Mijn nood is groot en de mensen onbekend gebleven.
Zij zijn wreed voor mij, want graag hadden zij mij ontheven
Van al waartoe minnes krachten mij dreven;
Zij begrijpen het niet, en ik kan hen geen inzicht geven.
Dus moet ik doen wat mij bezielt;
Wat minne teweegbracht en zij me voorhield.
Ik ben hiertoe bestemd: daar wil ik naar streven.

2
Wat men mij ook moge aandoen om minnes welzijn,
Ik wil ‘t verduren zonder hartenpijn.
Want uit de grond van mijn ziel, engelrein,
Weet ik dat lijden me leidt naar minne al mijn.
Daarom wil ik mezelf graag geven
In pijn, in rust, in sterven, in leven:
‘t Gebod van hoge trouw is immers mijn richtlijn.

3
Dat gebod, dat hoort bij minnes natuur,
Stelt mijn ziel bloot aan menig avontuur:
Het is iets zonder vorm of figuur;
Toch neemt men het waar als creatuur.
Het is de bron van mijn verblijden
Waarnaar ik smacht te allen tijde;
Zo slijt ik mijn dagen in pijn zonder duur.

4
Over minnepijn wil ik niet klagen:
Ik moet haar onderdaan zijn zonder versagen,
Of zij dit nu luide of in stilte wil vragen.
Men kent haar enkel in wat wij ons afvragen.
‘t Is een wonder, niet te doorgronden,
Dat alzo mijn hart heeft gebonden,
Mij in een barre woestenij blijft opjagen.

5
Zo’n wrede woestenij werd er nooit voortgebracht
Als die minne in haar landschap heeft uitgedacht.
Want zij laat ons naar haar snakken, dag en nacht,
En haar wezen vaag gevoelen, ondoordacht.
Zij onthult zichzelf bliksemsnel,
Maar blijft onzichtbaar voor ons evenwel:
Daarom staat ‘t ellendige hart steeds op wacht.

6
Als ik niet al mijn krachten aan minne zou wijden,
Zou ik van ware minnaars schuld moeten belijden,
Voor wat nu ‘t mijne is, had ik dan geen vrijgeleide.
Zo’n verlies zou me voorgoed doen lijden.
Nu neem ik genoegen met mijn lot,
Met wat minne en nieuwe vlijt me schenkt aan genot;
Waarom mijn drift nooit tot verzading zal leiden.

7
Het kwetst me dat ik het niet kan waarmaken
Kennis te dragen, zonder mezelf te verzaken.
Al zou begeerte me nog zo radbraken
En de kracht van liefdesnood me niet vrijmaken,
Toch wil ik ooit weten wat me zo bekoort,
En vaak zo onzacht mijn slaap verstoort
Als ik alsnog een zoete rust zou willen smaken.

8
Ware er iemand bereid een vonnis te vellen,
Ik zou mezelf aanklagen: wat mij blijft kwellen,
Is dat minne me ooit naar de top wou vergezellen
Terwijl haar wrede slagen me nu zo ontstellen.
Ik heb er geen geluk bij of voorspoed.
Ik weet niet of minne zelf het doet;
Ik vrees de wrede verzoekingen die beknellen.

9
Het is geen wonder dat ontrouw me schrik aanjaagt:
Zij heeft me meer dan gepijnigd en belaagd;
Want zo ik moedeloos ben en versaagd,
Is dat louter omdat ontrouw me zo heeft uitgedaagd.
Zij heeft me zoveel schade doen lijden!
Ik zal me slechts van haar kunnen bevrijden
Als hoge trouw er alles op waagt.

10
Wat baat het dat ik de minne bezing,
En zo mezelf nog meer pijn opdring?
Hoe groot mijn nood ook sinds zij me ving,
Tegen haar overmacht voer ik geen geding.
Ik beken alles wat hij bekennen zal,
Wiens hart de krachtige minne stal.
Wat baat het dat ik mijn natuur bedwing?

Want mijn natuur zal al blijven
Wat zij is, en zo haar deel verkrijgen,
Al maken de mensen haar weg nog zo eng.