Dom Vincent Truijen, benedictijn en abt van Oosterhout, heeft ontdekt dat dit lied teruggaat op een Marialied, “De Beata Maria Virgina”. De Latijnse sleutelwoorden heeft Hadewijch letterlijk overgenomen uit deze oude hymne. Zelfs het rijmschema en de plaats van deze woorden heeft ze gehandhaafd. Hadewijch richt haar lied echter niet tot Maria, maar tot de minne. Het is een lofzang geworden op de minne.

Dankzij musicoloog Peter Louis van Gijp is ook de melodie van dit lied bekend. Hadewijch heeft dus een eigen lied geschreven op een voor haar vertrouwde tekst en melodie. Volgens hem corresponderen de strofen van lied volledig met het Latijnse voorbeeld dat Hadewijch gebruikt heeft.

Het lied vormt een passende afsluiting van haar liederenboek. (Hieronder volgt steeds eerst de originele tekst en daaronder mijn werkvertaling.)

Ay, in welken soe verbaert die tijt,
En es in al die werelt wijt
Dat mi gheven mach delijt,
Dan: verus amor.

(Werkvertaling – Adrie Lint)
Ach, hoe het seizoen er ook uitziet
in de hele wijde wereld is er niets
dat mij vreugde kan schenken
behalve: ware minne.

Het lied begint treffend in tegenstelling tot de andere liederen. Meestal geeft Hadewijch een concrete beschrijving van het jaargetijde (Natureingang). Nu stelt ze: welk seizoen het ook moge zijn, hoe de natuur er ook uitziet, er is maar één ding dat vreugde schenkt: de ware minne.

Ay minne, op trouwe (want ghi al sijt
Miere zielen joye, miere herten vlijt),
Ontfaermt der noet, siet ane den strijt;
Hort cordis clamor

Ach minne, om trouw, want jij bent alle
vreugde van mijn ziel, verlangen van mijn hart
ontferm je over mijn nood, aanzie mijn strijd,
hoor de kreet van mijn hart.

Ay, wat ic mijn wee roepe ende claghe,
Die minne doe met mi hare behaghe;
Ic wille hare gheven alle mine daghe
Laus et honor.

Ach, hoe ik mijn pijn ook uitschreeuw en klaag,
de minne mag met mij doen wat ze wil.
Ik wil haar al mijn dagen geven:
lof en eer.                                        

De “ic” verwijst niet alleen naar Hadewijch zelf, maar verwijst hier naar iedere mens. Ook ieder die meeluistert of meeleest

Ay, minne, ocht trouwe u oghe ansaghe!
Want mi maect coene dat ics ghewaghe;
Want mi ierst op uwe hoghe staghe
Uwe traxit odor.

Ach minne, mocht je oog mijn trouw toch zien!
Want daarvan te gewagen geeft me moed.
Want naar jouw hoge toppen ben ik eerst gelokt
door jouw geur.

De “geur van de minne” verwijst naar het Hooglied (1,3). Dit erotisch getinte beeld van de geur trekt de “ic” naar hoge toppen. Ze vraagt dat de minne haar liefdestrouw goed mag zien.

Ay, minne, ja ghi die niet en loghet:
Want ghi mi tonet inder joghet
Daer ic na quele, (want ghijt vermoghet),
Sijt medicina.

Ach minne, ja jij hebt nooit gelogen.
Want in mijn jeugd heb je mij al getoond
waar ik naar verlang. Want jij kunt het,
wees medicijn.

Ay ja, minne, ghi die als zijt voghet,
Gheeft mi om minne dies mi meest hoghet;
Want ghi sijt moeder alre doghet,
Vrouwe ende regina.

Ach ja, minne, jij die over alles heerst,
geef me om minne, wat me het meest verhoogt,

want jij bent de moeder van alle deugden,
vrouwe en koningin.

Ay, weerde minne, fine puere,
Wan sidi ane hoe ic gheduere,
Ende sijt in minen betteren suere
Condimentum?

Ach, waarde minne, edel en puur,
waarom zie je niet dat ik standvastig blijf
en ben jij in mijn bitter-zuur
de zoete smaak?

Ay, ic dole te swaer in de avonture.
30 Mi sijn alle andere saken suere;
Volghevet mi, minne, u hoghe natuere,
Sacramentum.

Ach, ik dool te zeer in het avontuur.
Voor mij is al het andere zuur;
geef mij helemaal, minne, je hoge natuur,
het sacrament.

Ay, benic in vrome ocht in scade,
Si al, minne, bi uwen rade:
Uw slaghe sijn mi ghenoech ghenade
Redemptori.

Ach, gaat het me goed of slecht,
moge alles gaan, minne, volgens jouw raadsbesluit.
Jouw slagen zijn genoeg genade voor mij,
de Verlosser.

Ay, wadic ghewat, clemme ic op grade,
Benic in honghere ochte in sade,
Dat ic u, minne, gnoech voldade,
Bene mori.

Ach, of ik door gevaarlijke diepte waad of omhoog klim,
hongerig ben of verzadigd,
dat ik u, minne helemaal voldoening geven
en goed sterven.