Het zevende en achtste visioen horen bij elkaar; het achtste is zowel tekstueel als inhoudelijk een voortzetting van het zevende. Het zevende en achtste visioen vormen één doorlopend geheel te zijn. Waar het zevende visioen eindigt met dat Hadewijch “het volgende zicht krijgt over een bepaald soort uren”, begint het achtste zonder de gebruikelijke inleiding met wat deze uren (“wegen” genoemd) inhouden.

Beide visioenen gaan over het belang van de minne die de eenwording met de mens Christus bewerkt. In het zevende visioen is het Christus die zich in de Eucharistie, door Brood en Wijn aanbiedt aan Hadewijch. Beider minne wordt met elkaar verbonden. Het is een belangrijk inzicht voor Hadewijch dat in het achtste visioen verder uitgewerkt wordt.

Het zevende visioen krijgt Hadewijch op een Pinksteren. Vroeg in de morgen was zij in de kerk waar men de metten zong. Zij was in een staat van heftig verlangen. Zij wilde kost wat kost één worden met Gods Liefde worden. Voor Hadewijch was Christus, de mens geworden God. Met hem wilde zij één zijn. Zij voelde zich lichamelijk en emotioneel erg gespannen. Haar begeerte was bijna ondraaglijk. Intens beschrijft ze hier de “orewoet”, haar hevige begeerte.

(Werkvertaling Adrie Lint)

(1) Op een pinksterdag, bij dageraad kreeg ik een visioen, toen men de metten zong in de kerk en ik daar was. En mijn hart, mijn aderen en al mijn ledematen trilden en beefden van begeerte. Het verging mij zoals zo vaak gebeurde: zo verwoed en vreselijk was het mij te moede dat ik dacht dat als ik mijn lief niet genoeg beminde en mijn lief mij niet bevredigde, dat ik dan van razend verlangen zou sterven en al stervende nog steeds zou verlangen. Op dat moment was ik door dat hartstochtelijk verlangen in zo’n staat van angst en pijn dat al mijn ledematen leken te breken in een uitzonderlijke verkramping en dat al mijn aderen uitzonderlijk opzwollen. De begeerte waarin ik toen verkeerde, is niet te vertellen in welke taal van wie dan ook. En wat ik er zelf over kan zeggen, het zou niet te begrijpen zijn voor al degenen die de minne niet gekend hebben als iets waar men met begeerte naar streeft en die zelf door de minne nog nooit gekend zijn.

In tegenstelling tot andere visioenen, geeft Hadewijch haar lichamelijke toestand weer. Dit gebeuren speelt zich niet af “in de geest” of “buiten de geest” waar ze meestal haar ervaringen ontvangt. Hadewijch beschrijft hier dat ze lichamelijk erg gespannen is, bijna verstijfd van de spanning. Het gehele zevende visioen speelt zich af op het vlak van het lichamelijke. Het gaat hier om de gewone zintuigen van zien, horen, smaken, voelen, enz.

(20) Dit kan ik er wel van zeggen: ik verlangde in volle genieting één te zijn met mijn lief, hem te kennen en te smaken, ten volle; één te worden van zijn menselijke natuur met de mijne en dat vast te houden en me sterk te maken om niet te bezwijken. Zonder tekortkoming zou ik genoeg voor hem zijn: ik zou door mijn deugdzaamheid hem zuiver en exclusief en totaal genoeg zijn. Daar wilde ik in mijzelf dat, als ik één was met zijn geest, hij als God mij genoeg zou zijn en dat hij voor mij zonder voorbehoud alles zou zijn wat hij is. Want boven alle gaven die ik ooit verlangde verkoos ik deze: dat ik voldoening zou schenken in alle grote smarten. Want het is de allergrootste voldoening om als mens uit te groeien tot men God is met God. Want dit betekent dat je lijden, pijn, ellende, leven in steeds nieuwe ontreddering, allemaal laat komen en gaan zonder klagen en het te ervaren als niets anders dan zoete liefde en omhelzingen en kussen. Zo verlangde ik dat God zich aan mij gaf en dat ik hem genoeg zou kunnen zijn.

Haar verlangen is gericht op het “ghebruken” van de minne. Het is een van de trefwoorden van Hadewijch. Het betekent: genietend één zijn in de minne. Het is de gelukzalige eenwording met Gods Liefde. Dat is waa zij ten diepste steeds naar verlangt.

(42) Toen het mij dus vreselijk te moede was, zag ik van het altaar een grote arend aan komen vliegen. En die sprak tegen mij: “Wil je één worden, bereid je dan voor.” Ik viel op mijn knieën en mijn hart ging vreselijk te keer omdat mijn hart wat er gebeuren zou zo intens mogelijk en met volle waardigheid wilde aanbidden. Wat toch onmogelijk was – dat weet ik wel en God weet het en wat voor mij altijd weer oorzaak is van pijn en verdriet.

Waar de arend naar verwijst, is niet duidelijk. Het kan de heilige Geest zijn, de vogel die Gods Wijsheid en Kracht symboliseert. Eerder vermoed ik dat de arend verwijst naar de evangelist Johannes. In de religieuze verbeelding worden de vier evangelisten verbonden met symbolen. De apostel Johannes wordt weergegeven als een adelaar, Lucas als een stier, Marcus als een leeuw en Mattheüs als een engel. Tijdens de metten van Pinkstermorgen wordt gelezen uit het evangelie van Johannes voorgelezen: “Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb: Ik ga heen, en kom weder tot u.” (Johannes 14,28). Vergeten we niet dat Johannes een bijzondere plaats had voor Hadewijch. Hij was een van de 29 volmaakten, die volkomen waren in de minne.

(50) En die arend keerde zich om en sprak: “Rechtvaardige en machtige Heer, toon nu uw machtige kracht om iemand in uw eenheid op te nemen en te genieten in u zelf.” En hij keerde zich weer om en sprak tot mij: “Die gekomen is, komt weer en waar hij nooit kwam, daar komt hij niet.”

Jezus verschijnt en komt naar haar toe als een kind. Juist met het kind-zijn van Jezus wordt aangegeven dat Gods Liefde werkelijk mens is geworden in een mensenkind.

(57) Toen kwam hij van het altaar: zelf verscheen hij als een kind. Dat kind zag er uit zoals hij er uitzag in de tijd dat hij ongeveer drie jaar was. En hij wendde zich naar mij toe en uit de ciborie nam hij zijn lichaam in zijn rechterhand. En in zijn linkerhand nam hij een kelk die van het altaar leek te komen, maar waar die precies vandaan kwam weet ik niet. Daarmee kwam hij in de kleding en de gedaante van de man die hij was op de dag dat hij aan ons voor de eerste maal zijn lichaam gaf. Zo: in de gedaante van een mens, als een man, zacht en prachtig en met een aantrekkelijk gezicht. En hij kwam onderdanig naar mij toe, als iemand die een ander helemaal toebehoort. Toen gaf hij zich aan mij in de vorm van het sacrament zoals het de gewoonte is. Daarna gaf hij mij te drinken uit de kelk; dat zag er uit en smaakte zoals gewoonlijk.

Van Mierlo (1924, 62) merkt op dat het in Hadewijchs’ tijd gebruikelijk was om onder twee gedaanten te communiceren (brood en wijn). In de loop van de dertiende eeuw is dit gebruik om onder twee gedaanten te communiceren verdwenen. Alleen de priester deed het nog aan het altaar. Een reden te meer om dit visioen in de eerste helft van de dertiende eeuw te dateren.

Wat hier beschreven staat is een prachtige, bijna ideale beschrijving van wat de heilige Communie voor een gelovige mens betekent. Niet alleen een bijzondere geestelijke ervaring, maar een ervaring van heel het lichaam. Het is Jezus zelf die aan Hadewijch zijn lichaam en bloed aanbiedt.

(74) Daarna kwam hijzelf bij mij en hij nam mij helemaal in zijn armen en drukte mij tegen zich aan. Al mijn ledematen voelden de zijne in met een volmaakt genot, zo veel als mijn hart begeerde en ik verdragen kon als mens. Toen was het mij genoeg: buiten zinnen, totaal verzadigd. En ik had een korte tijd de kracht om het vol te houden. Maar al snel verloor ik de uiterlijke vorm van die mooie man uit het oog en ik zag hem vervagen tot hij er niet meer was. En hij leek op te lossen en weg te smelten, zodanig dat ik hem buiten mijzelf niet meer kon bekennen of zien en hem binnen in mijzelf niet van mezelf kon onderscheiden. Op dat moment leek het mij dat wij één waren, ongescheiden.

Dat het hier om een zintuiglijke en sensibele ervaring gaat, mag duidelijk zijn. Die een duidelijk erotisch karakter heeft. Hadewijch is een mystica waarbij haar mystieke ervaringen zowel lichamelijk, geestelijk als boven geestelijk gebeuren.

Dit laat trouwens ook een wezenlijke waarde van de eucharistie zien. Het ontvangen van het heilig brood en de heilige wijn hebben te maken met alle zintuigen, met erotiek, met spiritualiteit en met de diepten van de ziel waar Gods minne woont.

(88) Dit gebeurde allemaal van buiten met de zintuigen, met zien, smaken, voelen, zoals wanneer men het sacrament van buiten zintuigelijk ontvangt, en ziet en voelt. Zoals de ene geliefde de andere ontvangt in het intens genot van het zien en het horen van elkaar, van het opgaan van de een in de ander. Daarna bleef ik zozeer opgaan in mijn lief dat ik helemaal in hem versmolt en er niets meer van mijzelf overbleef. En ik werd buiten mijzelf gebracht en in de geest opgenomen en daar werden mij toen de volgende uren vertoond.

Hadewijch benadrukt nogmaals dat dit visioen zintuiglijk gebeurt. Haar ervaringen wordt ze met haar lichaam gewaar. Pas aan het slot van dit visioen wordt zij opgenomen in de geest. Het visioen heeft dus alles te maken met haar lichamelijkheid. Hadewijch wordt hier verenigd met Christus in een lichamelijke gewaarwording.

Voor Hadewijch speelt de Eucharistie een grote rol. Ook in andere visioenen krijgt Hadewijch na het ontvangen van de Communie haar visioenen (eerste, derde, vierde, zesde en twaalfde visioen zeker). Het heilig Brood, het lichaam van Christus, was blijkbaar ook voedsel voor de geest.

Door het ontvangen van de heilige Communie en het heilig Bloed wordt Hadewijch gewaar dat zij één wordt met Gods Liefde, met Jezus Christus. Het is een versmelten van Hadewijch in Jezus Christus en omgekeerd ook. Jezus geeft ons zijn leven; een uitnodiging om ons leven en werken aan hem te geven, opdat de Minne ons mag verenigen.

In Lumen Gentium een van de constituties van het Tweede Vaticaanse Concilie en meer dan 600 jaar later geschreven, formuleert de Rooms Katholieke Kerk het aldus: “De deelneming aan het lichaam en bloed van Christus bewerkt niet anders dan dat wij overgaan in hetgeen wij nuttigen.” (Lumen Gentium 26).

Het visioen eindigt met de overgang naar het achtste visioen: “nu werden mij de volgende uren vertoond”. Alsof we naar een film van een spirituele landschap zitten te kijken.