In dit visioen vertelt Hadewijch welke ervaringen het genietend een-zijn met God bij haar teweegbrengen. Vanuit deze mystieke eenwording krijgt zij van God de opdracht om niemand meer te veroordelen. Het oordeel is enkel aan God.

Het zesde visioen vindt plaats op het feest van de Epifanie, Driekoningen, 6 januari. Zoals Jezus door drie koningen erkend wordt als Goddelijk kind, zo wordt God ook aan Hadewijch geopenbaard.

Op deze feestdag wil zij graag te Communie gaan. In de tijd waarin Hadewijch leefde ging men alleen op de grote feestdagen te Communie. Het heilig brood ontvangen is dus al een er religieus geladen gebeuren. Het verlangen om de heilige Communie te ontvangen is vaker de context voor haar mystieke ervaringen. Met en in het heilig Brood ontvangt Hadewijch ook de Minne. Eucharistie vieren is daarom wezenlijk van belang voor haar verhouding tot Gods Liefde. Het zegt tegelijk ook veel over de christelijke grondslag van haar mystieke beleving.

(Werkvertaling Adrie Lint)

(1) Het was op een feestdag van Driekoningen. Ik was toen naar men zei negentien jaar oud. Ik wilde graag te communie gaan en in die tijd had ik het verlangen en een sterke behoefte om te weten hoe God neemt en geeft wanneer men in Hem verloren is en in verrukking in Hem is opgenomen – en dat bij iemand die in alles volgens zijn wil leeft. Op die dag werd ik opnieuw van binnen sterk door minne beroerd. Toen werd ik opgenomen in de geest en ik werd geleid naar waar mij een hoge, ontzagwekkende plaats werd getoond, en op die machtige plaats stond een zetel. En degene die daar op zat, die kon men niet aankijken en was ook niet te begrijpen – zodanig was de majesteit van de taak die daarboven werd uitgevoerd. Op zulk een plek zetelen, dat is niet te begrijpen voor hemelse en aardse wezens. Boven die hoge zetel op die hoge plaats zag ik een kroon die alle kronen te boven ging. De wijdte ervan hield alle dingen eronder omvangen en buiten die kroon was niets.

Hadewijch werd “opgenomen in de geest”. Dat wil zeggen dat zij een visionaire ervaring krijgt, die zij nog kan navertellen. Evenals het lichaam heeft de geest ook zintuigen waarmee ze kan proeven, horen, zien, ervaren.

(22) Er kwam een engel met een gloeiend wierookvat dat gloeide van vuur en rook. Hij knielde voor de hoogste plaats van de zetel waarboven de kroon hing en hij vereerde Hem, zeggend: ‘O, onbegrijpelijke majesteit en almachtige, grote Heer, hiermee wordt U eer en waardigheid gebracht door deze vrouw, die u komt opzoeken in uw verborgen plaats. Onbekend blijft deze plaats voor al degenen die deze aangestoken offerande niet naar u toestuurt met zulke scherpe schichten als zij, die onder de mensen negentien jaren telt en dat doet met de kracht van haar nieuwe, brandende jeugd. Zij is het, Heer, die in de geest komt opzoeken om te weten hoe U bent waar U eigenlijk onbegrijpelijk bent. Want het onbegrepen leven dat U in haar hebt opgewekt in brandende liefde, dat heeft haar naar hier geleid. Openbaar haar dus dat U haar zelf naar hier hebt gehaald en neem haar helemaal in U op.’

Hadewijch hanteert hier een bijbelse manier van spreken. God is te vinden op de hoogste plek van de wereld (berg Sinaï, Tabor, Apocalyps van Johannes). Zij past daarbij de bijbelse symboliek vaak aan naar Middeleeuwse, kerkelijke gebruiken: “een engel met een wierookvat”.

De engel onderschrijft het intense verlangen dat Hadewijch gehad moet hebben om Gods Liefde te ervaren, met God een te worden. Zij moet een jonge vrouw geweest zijn met een brandende begeerte. Dankzij haar sterke verlangen heeft Hadewijch God tot zo dichtbij kunnen naderen. Maar uiteindelijk blijft het God zelf de deze brandende begeerte bij Hadewijch heeft opgewekt. Het is Gods Liefde zelf die de drang bij Hadewijch veroorzaakt heeft. Ook dit verwijst naar een christelijke grondslag van haar visioen: het is niet de eigen kracht die de mens tot de Minne brengt, maar het is de Minne zelf die de mens naar God stuwt.

(40) En toen hoorde ik een stem tot mij spreken, angstaanjagend en nooit eerder gehoord, als in een verschijning, en die zei: ‘Zie wie ik ben’.

In het Oude Testament openbaart God zich op de berg Sinaï (ook zo hoog en verheven, en een Mozes die Gods aangezicht niet kan zien) met de woorden: “Ik ben die ik ben.” Hadewijch laat God spreken met een duidelijke verwijzing naar deze bijbelse God: “Zie wie ik ben.”

(43) En ik zag Hem die ik zocht. En zijn aanschijn openbaarde zich zo helder dat ik daarin alle gestalten en alle gezichten herkende die ooit bestaan hebben en zullen bestaan, waarvan Hij hulde en dienstbewijzen ontvangt in alles wat goed is; en ik herkende verder hoe elk het zijne zal ontvangen, het zij verdoemenis of zegening, en waardoor precies elkeen op zijn juiste plaats zal worden gezet; en hoe het sommige vergaat die van Hem afdwalen en toch weer (50) naar Hem terugkeren, moediger en mooier dan zij ervoor waren; en hoe anderen afdwalen en niet terugkeren, en hoe weer anderen lijken af te dwalen en daar geen moment uit terug lijken te keren, terwijl ze toch voortdurend op hun plaats bleven, de hele tijd zo goed als zonder troost; en hoe sommigen ook van kindsbeen af steevast op hun plaats bleven en naar aarde schatten en zo tot het eind vol. Alle wezens kende ik daar in dat aanschijn.

Hadewijch ziet Hem, die zij zocht. In dit visioen zal ze deze Godspersoon geen naam geven. Dat vind uitzonderlijk, maar ook typerend voor Hadewijch. Veel theologen die haar proberen uit te leggen verbinden deze “Hem” meteen met Jezus, de Christus. Maar Hadewijch zelf houdt het heel bewust, zo is mijn visie, open. Wel valt op dat het om een Persoon gaat. Minne is niet louter oerkracht of vage oergrond maar een persoonlijke kracht, zoals een mensenfiguur (God is ook beeld van de mens!). Het gaat dus om een persoonlijke en liefdevolle relatie met God.

Hier komt dus een van de kern aspecten van de christelijke mystiek naar boven. God is meer dan louter ‘vage’ oergrond, maar God heeft een menselijk gelaat:
– in deze Persoon zijn alle mensen die goed gedaan hebben en rechtvaardig geleefd hebben aanwezig. In het gelaat van God zijn alle goede mensen terug te zien.
– door deze Persoon zal elke mens het zijne ontvangen: alles zal op zijn plaats terecht komen. Uiteindelijk zal alles reg kom in deze persoon.
– deze Persoon velt oordeel over goed en kwaad. Hier maakt zij weer gebruik van de middeleeuwse iconografie: Christus die met zijn rechterhand de goede zielen zegent en uitnodigt voor de hemel. Zijn linkerhand met het zwaard verwijst de verdoemden naar de hel.

(60) In zijn rechterhand zag ik wat Hij schenkt als Hij zegent: daarin zag ik de grote hemel geopend met al diegenen die daarin eeuwig mét hem zullen zijn. In zijn linkerhand zag ik het zwaard met de geduchte slag waarmee hij alles de dood in slaat: daarin zag ik de hel en haar eeuwige bewoners. Ik zag zijn grootheid onder alles verdrukt. Ik zag zijn kleinheid boven alles verheven. Ik zag zijn verborgenheid openlijk om alles heen stromen. Ik zag zijn wijdheid binnen alles besloten. Ik hoorde zijn woorden en begreep al zijn woorden in mijn eigen woorden. Ik zag in zijn borst het volledige genieten van zijn natuur in minne. Bij al het andere dat ik nog meer zag, bleef ik steeds in de geest.

Hier geeft Hadewijch een prachtige en treffende omschrijving van hoe zij God gezien heeft. Door het zien komt ze tot verwondering en daardoor “buiten de geest”. Volgens Mommaers betekent dit “buiten zichzelf”, naar analogie van teksten van Richard St. Victor. Hadewijch versmelt hier met haar geliefde. Deze staat van extase duurt minder een half uur, de tijd ie hiervoor staat in de bijbelse traditie.

(76) Maar toen bracht al die rijkdom die ik in Hem had gezien, mij in verwondering. En door die verwondering raakte ik buiten de geest waarin ik alles wat ik had gezocht had gezien. Als ik dus zó de overvloedige rijkdom van mijn beangstigende en onzegbaar zoete lief mocht kennen, viel ik buiten de geest, weg van mezelf en van alles wat ik in hem had gezien. En ik viel geheel verloren aan de zaligmakende borst van zijn wezen die minne is. Daar bleef ik in verzwolgen, buiten alle besef iets anders te weten of te zien of te begrijpen dan één te zijn met hem en daarvan te genieten. Daarin bleef ik korter dan een half uur. Toen kwam ik weer tot mijzelf in de geest en ik kon weer onderscheiden zoals tevoren en begreep ik alles wat gezegd werd.

Gods Liefde heeft haar verzwolgen. Maar daar blijft het niet bij. Hadewijch ontvangt nu ook een uitnodiging, of beter een taak: “van nu af aan zal jij niemand meer veroordelen of zegenen buiten mijn goedvinden en zal jij iedereen waarderen.” Van nu af aan moet zij met de ogen van de Minne gaan kijken. Met andere woorden: wie Gods Liefde ervaart, voelt in zichzelf een uitnodiging om die liefde uit te dragen.

(93) En hij zei toen opnieuw tegen mij: ‘Van nu af aan zal jij niemand meer veroordelen of zegenen buiten mijn goedvinden en jij zal iedereen waarderen naar wat hij werkelijk waard is. Zo ben ik dus in het genieten en kennen en opgenomen-zijn voor wie voldoende volgens mijn wil leven. Ik leid jou, god en mens, weer de wrede wereld in, waar je alle doden zal smaken, tot je hier weer komt om mijn volledige drie-ene naam te genieten, waarin jij nu, diep in Mij, gedoopt bent.’ En daarmee werd ik weer, zeer tot mijn spijt, teruggebracht tot mijzelf.

De Minne eindigt met: “Zo is het dus o mij te kennen en mij te genieten.” “Ghebrukene” staat er in de originele tekst, een belangrijk sleutelwoord van Hadwijch, wat ‘genieten’ betekent.

God noemt Hadewijch tenslotte: “jij, god en mens.” Met deze naam wordt zij net als Jezus Christus tot ‘god en mens’ gemaakt.