Het dertiende visioen beschrijft hoe Hadewijch de aanschijn van God mag zien. Weinig mensen mogen dit diepe geluk ervaren. In het oog van zijn aanschijn ziet zij Gods Liefde waaraan zij op dat moment helemaal gelijk geworden is. Zij ziet ook al degenen die Gods Liefde volledig hebben beleefd. Een daarvan, de voornaamste, is Maria. Maria zegt tegen Hadewijch dat zij Gods Liefde volledig heeft ervaren en nodigt Hadewijch uit om de hoogste hemel binnen te komen. Maar Hadewijch stelt haar opname in de hemel uit en blijft op aarde om eerst haar vriendinnen naar de volgroeidheid in de liefde te leiden.

Dit visioen vindt plaats in de nacht van de zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren, ook wel ‘Wezenzondag’ genoemd. Leerlingen van Jezus voelen zich dan als wezen omdat na de Hemelvaart hun meester naar de hemel is ‘gevaren’. Zij zijn nu echt verlaten door hun leraar. En de aangekondigde Helper, de heilige Geest moet nog  komen, wat met Pinksteren gebeuren gaat. Zij zijn als kinderen, leerlingen zonder hun leraar. Tijdens de metten van deze zondag, de eerste gebedsviering heel vroeg in de morgen, wordt psalm 95 gezongen met het vers ‘Accedamus in conspectum eius cum laudibus’ (Vert: ‘Laten we zijn aanschijn tegemoet gaan met lofzangen’). Hadewijch ziet hoe de lofzangen in de hoogste hemel worden gebracht aan God.

(Werkvertaling Adrie Lint)

(1) Op de zondag vóór Pinksteren werd ik vóór de dageraad in de geest opgenomen bij God. Hij openbaarde mij de minne die tot dat moment altijd voor mij verborgen was geweest. Daar zag en hoorde ik hoe de lofprijzingen klinken die voortkomen uit stille minne die ootmoed in zich draagt. Die meent en zegt en zweert dat ze niet mint en dat ze God noch de mensen eer bewijst of recht doet met minne of door diensten van de ware deugd. Daar zag en hoorde ik hoe zulke lofzangen klonken en de minne aller minne sierden.

De belangrijkste bezigheid in de hemel is het eer brengen aan Gods Liefde. De bewoners van de hemel zingen God lof toe. In de hemel wordt God lof gebracht met voortdurende lofprijzingen. Zo werd en wordt over het algemeen voorgesteld wat er in de hemel gebeurt. Hadewijch voegt er iets aan toe. Zij zag en hoorde de lofzangen die voortkomen uit “stille minne die ootmoed in zich draagt.”

De stille minne is de nieuwe wijze van lief hebben die tot dan toe voor haar verborgen is geweest en in dit visioen geopenbaard wordt. De ootmoed is de grond waar minne stil in kan groeien, “de zuiverste woning om minne te ontvangen.” schrijft ze in haar twaalfde brief (109-110).

Wat betekent ootmoed? Voor Hadewijch kan een mens zich openstellen en dichter bij Gods Liefde komen door een houding van ‘ootmoed’ en door het beoefenen van ‘werken van liefde’. In het innerlijk van de mens kan een houding van ootmoed de ziel ontvankelijk maken voor Gods Liefde. Door ootmoed krijgt de ziel de open ruimte, Hadewijch zegt de ziel verdiept zich dan, om Gods Liefde te ontvangen. Ootmoed is de houding van nederigheid (knielen) die groeit in de mens die zijn ziel klaarmaakt voor de ontmoeting met Gods Liefde.

Dat Maria het voorbeeld voor ware ootmoed is, zullen we nog zien. Zij heeft de minne voldragen: “dracht” lezen we dadelijk. Zij ziet een nieuwe hemel.

(13) En op dat moment werd mij een nieuwe hemel getoond die nog nooit eerder aan mij verscheen, met Halleluja-gezang van serafijnen.
En een serafijn riep met luide stem en zei: “Zie hier de nieuwe verborgen hemel die gesloten blijft voor al diegenen die nooit moeder van God waren tot de dracht voldragen was. Die niet met hem naar Egypte dwaalden. Die niet alle wegen met hem gingen. Die hem niet hebben opgedragen waar het zwaard der profetie recht door het hart ging. Die het kind niet koesterden tot het een man geworden was. En die op het einde niet aan zijn graf stonden. Voor hen zal deze hemel eeuwig verborgen blijven.’
Na dit gezang en deze stemmen werd de nieuwe hemel geopend. Daar openbaarde zich het aanschijn van God waarmee hij alle heiligen en mensen tot in de eeuwigheid der eeuwigheden voldoening zal geven.

De nieuwe hemel blijft gesloten voor wie de minne niet dragen in hun hart. Voor wie niet zoals de Moeder Gods leven en helemaal dienstbaar zijn aan Gods Liefde. Maria droeg minne volkomen in haar hart: bij haar zwangerschap, bij de vlucht naar Egypte, bij de opvoeding van Jezus, tot aan het kruis en het graf. De symboliek van de zwangerschap van de minne (“dracht”) werkt Hadewijch verder uit in een van haar rijmbrieven, met name in de veertiende. Zij beschrijft daar de mystieke ontwikkeling van de mens, de mystieke groei van de ziel in negen maanden.

Willen wij de nieuwe hemel proeven, zullen we net als Maria stille minne moeten dragen in ons hart. Minne dragen houdt in: nederig zijn, goede werken doen, minne voelen in het gebed, verlangen, het lijden dragen.

In de hemel openbaart zich het Aanschijn van God, de heerlijkheid van God. Hier maakt Hadewijch gebruik van allerlei bijbelse beelden, zoals het wezen met zes vleugels (Jes. 6, 2; Ez. 1, 23- 4; Apoc. 4, 8). In het Oude Testament wordt meer dan eens de waarschuwing gegeven dat een mens niet bij machte is om het Aanschijn van God te zien. Toch ziet zij Gods Gelaat. In haar visioenen geeft Hadewijch aan dat God voor haar een gezicht heeft, dat zij mag aanschouwen. In het gezicht van God ziet zij alle gezichte van goede mensen die de minne uitdragen, zullen we verder nog zien. Gods Aanschijn is het Aanschijn van allen die minne dragen.

(28) Het aanschijn had zes vleugels en die waren allemaal van buiten afgesloten en van binnen waren zij voortdurend in de vlucht. Toen sprongen aan de buitenkant alle sluitingen van de vleugels open. En ik zag waar de vleugels heen bewegen en naar welke plaatsen. De bovenste twee vliegen tot de hoogte waar God de hoogste kracht van de minne geniet. De twee middelste vliegen in de wijde ruimte van de volledige liefdesdienst. De onderste twee vliegen in de bodemloze diepte waar hij alle wezens verslindt. De vleugels zaten allemaal recht vast aan het aanschijn. En de zegels die aan de buitenkant van de vleugels het aanschijn afsluiten, dat zijn de ware zijnswijzen van de almachtige God, die niemand volledig kan verwerven, tenzij hij zelf als God én mens wil leven.

Het beeld van Gods Aanschijn in de hemel, met de zes vleugels, speelt visueel een belangrijke rol in dit dertiende visioen. Het wordt op diverse plaatsen uitgewerkt.  Om het beeld helder te krijgen: zes vleugels, drie maal twee die voortdurend in zichzelf bewegen. De bovenste twee vliegen hoog naar God, hoog naar boven, met de sterkste kracht van de minne. De middelste twee vliegen rond God met de volmaakte kracht van de deugden. De onderste twee vliegen naar beneden de onpeilbare diepte in waarin de minne alle wezens verslindt. De vleugels zaten allemaal aan het Aanschijn vast. Serafijnen maken de vleugels los, zullen we nog zien, door de zegels van elke vleugel te openen. Straks zullen de zielen in de hemel verdeeld zijn over de vleugels, naar gelang ze de hoogste minne bereikt hebben, volmaakte deugden uitgevoerd hebben of als gewoon goede mensen in de diepte van de hemel terecht komen.

(45) Hierna zag ik een grote groep serafijnen, die allen zongen: ‘Halleluja, amen.’ Zij brachten elk een grote menigte van gesierde geesten mee die bij hen hoorden. Die waren allemaal getooid met de hoogste trouw aan de goddelijke rede door hun sterke minne. In hun handen droegen zij het open zegel van de minne. Dat is: in alles volledig trouw aan de minne. En op hun hoofd stond de naam geschreven. Zij zijn de heerlijke heerschappen die de serafijnen ten diensten staan. Want zij hebben in minne overwonnen door zich te laten overwinnen. Zo werkt de niet te overwinnen kracht van de groeiende minne.
De serafijnen brachten hen mee en ontsloten met de zegels uit hun handen de twee middelste vleugels van het aanschijn. En zij zijn daar naar binnen gegaan en hebben bezit genomen van de wijde ruimte en hem opgesierd met hun nieuwe komst. Want die wijde ruimte was tot dan toe in de edele minne onbekend gebleven. Ook daar verblijden ze met hun verborgen gezang dat altijd door in de minne met sterke stem in het verborgene geroepen heeft.

Uitgebreid, met apocalyptische verbeelding, vertelt Hadewijch wat zij gezien heeft in haar geest. Hadewijch ziet hoe serafijnen mensen-(zielen) binnenbrengen in de wijde ruimte van de hemel. Bij een uitvaart wordt vaak het In Paradisum gezongen: “Moge de engelen de gestorvene begeleiden in het hemels paradijs.” Het gaat hier om de zielen die volledig geleefd hebben in de minne. Hun lofzang zal eeuwig klinken door de wijde ruimte van de hemel. Hadewijch hoort hun verborgen gezang. Hadewijch ziet nu ook haar eigen, persoonlijke engel die haar naar de hemel leidt. Het gaat nu om een van de serafijnen, de hoogste engelen van de hoogste orde. In het eerste visioen is het nog een van de troonengelen die Hadewijch begeleidt. Die behoort nog tot de laagste engelen van de hoogste orde.

(66) De serafijn die de mijne is en die mij daar bracht, die hief mij op en toen zag ik meteen in de ogen van het aanschijn een zetel. aarop zat de minne, gesierd in de gestalte van een koningin. De kroon die op haar hoofd stond was versierd met de hoge werken van de ootmoedigen die de waarachtige minne loven en toch voor waar aannemen dat ze de minne niet dienen en niet minnen. Bij die waarheid blijven ze zweren. Want zij kennen zichzelf niet en zij weten dat de minne alles is. Daarom strekt hun ellendig en verdwaald loflied zich uit over de gehele wijde ruimte, die nooit volledig doorvlogen wordt. Dit loflied sierde en verheugde die wijde ruimte op met nieuw gezang dat niemand ooit kan verstaan dan zij die de minne in hun ootmoed volledig hadden verloren.

De betekenis van deze laatste regels blijft duister. De persoonlijke serafijn die Hadewijch begeleidt in de hemel laat haar kijken in de ogen van Gods gelaat. Hadewijch ziet een troon waar de minne op zetelt in de gestalte van een koningin met een kroon op haar hoofd. De kroon bestaat uit de werken van de ootmoedigen. Ootmoed is jezelf nederig maken tegenover God, bewust knielen en jezelf onderwerpen aan Gods genade. Het komt overeen met deemoed.

(82) Uit de ogen van de minne schoten zwaarden helemaal vol vurige vlammen. Uit haar mond kwamen bliksemschichten en donderslagen. Haar aanschijn was doorschijnend zodat men er doorheen alle wonderen kon zien die de minne ooit heeft verricht en verrichten kan. Hierbij moet ik het laten. Want over wat ik daarin zag, kan men meer schrijven dan er in de psalmen van David staat. Daarover zwijg ik nu verder over en vermoedelijk voor altijd. Zij hield haar armen uitgestrekt en omvatte zo alle diensten die men ooit voor haar had verricht en haar rechterzijde was geheel gevuld met volmaakte en onafgebroken gegeven kussen. Haar lichaam was vol opwellende wonderen.

De koningin van de Minne wordt hier voorgesteld met symboliek zoals we die kennen uit het boek Openbaring (bijv. 19,11-16). Nogmaals in het gelaat van de minne zijn alle wonderbare daden van goedheid ooit door mensen gedaan te zien. Minne wordt een soort van verzameling van al het goede door mensen handen verricht. Zij wordt verpersoonlijkt in de Koningin, in Maria, in God zelf en in Christus. Al deze personen ‘lopen door elkaar heen’.

(94) En in de wijde ruimte onder haar voeten had ze de zeven gaven. Daarvoor had ze een zetel staan.  En de serafijn die mij ophief, zette mij daarop en zei tegen mij: ‘Kijk, dit is de minne die je ziet in het midden van het aanschijn van Gods natuur. Nog nooit werd ze hier aan enig schepsel vertoond. Al was Maria bekend met de ware minne en ook met de zeven gaven bij het beoefenen van de volmaakte deugden, toch had zij, vóór haar hemelvaart, nooit hemelse openbaringen. Want zij bezat een stil weten en was vol van goddelijke minne. Zij was zeker door de vertrouwelijke omgang met haar Zoon, waardoor de innigste en hoogste hemel haar al ten volle bekend was.’

Wat beschouwde men toen onder de zeven gaven van de geest? Tijdgenoot en mysticus Ruusbroec (1293-1381) geeft de zeven gaven van de heilige Geest: 1. de vreze Gods (= eerbied voor God), 2. de goedertierenheid of mildheid jegens medemensen, 3. de kennis of het onderscheid van wat goed en kwaad is, 4. de sterkte of kracht om je naar binnen en op God te richten, 5. de goede raad die het spoor van God wijst, 6. het verstand en 7. de smakende wijsheid die ons brengt bij de bron van alle leven, het Goddelijk Mysterie.

Zelfs Maria heeft Gods Liefde tijdens haar leven niet gezien. Maar zij kende de hoogste hemel wel, vanwege haar ommegang met Jezus Christus. Voor Hadewijch moet Maria een bijzondere betekenis gehad hebben, dat zij zo uitdrukkelijk hier genoemd wordt.

(109) Toen zei hij: ‘Kijk nu zelf. Al deze eigenschappen van de minne zijn van nu af aan beter bekend aan jou dan aan mij. Want jij hebt als moeder van de minne kunnen kijken in deze drie verborgen vormen, die je in het aanschijn van de minne ziet.
Wij, die jou dienen, zien het met verwondering. Maar jij ziet het, en zult het zien met het heldere inzicht van je kennis met het mens-zijn.
Bezie en bezit nu het hele rijk dat jij de minne hier ziet bezitten. Bezie dan deze drie schitterende vormen die naar je ziet de minne hier sieren, en de verheven lof die zo veel blijdschap geeft. In elk van deze drie zie jij jezelf en vind je jezelf. En jij bezit het wel degelijk helemaal en jij bent volkomen gesierd met al die vormen waarmee je de minne gesierd ziet.’ En toen ik mezelf bekeek, was het inderdaad zo.

De serafijn plaatst Hadewijch op de zetel voor koningin Minne, nodigt haar uit om de Minne aan te kijken en wijst haar er op: “Kijk, zo ben jezelf!” Met andere woorden: Hadewijch is volkomen godgelijk in Minne.

Nu vervolgt Hadewijch haar visioen met de beschrijving van de andere zielen die het hemels Paradijs worden binnengebracht. De zielen die via de middelste vleugels binnengebracht zijn heeft ze al genoemd (regels 45 tot 65). Nu volgen de zielen die via de bovenste vleugels toegang krijgen (124-146). Het zijn de mensen die in hun leven tot niets zijn teruggebracht omdat ze in de overtuiging waren dat de minne hen nooit zou aanraken. Hun aanwezigheid en hun lofzang sieren de wijde ruimte van de Minne. Langs het onderste paar vleugels komt een veel kleinere groep de hoogste hemel binnen (159-194). Zij hebben de volkomen nederigheid beleefd door de ootmoed, waardoor ze zich eerst hebben laten vernietigen, achter zich te laten om vervolgens vrijmoedig een directe aanraking door de minne op te eisen.

(124) Daarop vroeg ik de serafijn om de bovenste en de onderste twee zegels die aan het aanschijn zaten te ontsluiten en dat deed hij.
Toen hij de twee bovenste geopend had, verschenen zij die door ootmoed altijd tot niets teruggebracht werden. Die geen moment geloofden dat zij de liefde van de minne ooit
zouden kunnen kwijt raken en zich zo beschouwden als onbeduidende minnaars.
De pracht die zij met zich meebrachten, die was onzegbaar veel mooier dan wat men in onze tijd ooit las of zag. Het waren deze wezens die de minne hadden gekroond en haar aanschijn hadden versierd. Hun lof klonk met zulke zoete stem, dat die met steeds nieuwe stromen omhoog vloeide en de vlammen steeds opnieuw aanwakkerde tot zo’n vuurzee, dat ze voor eeuwig zouden branden. Het hoogste van het hoogste werd daarbinnen nog zoveel keer verhoogd en de wijde ruimte werd er zo wonderlijk wijd door en zoveel meer versierd dan ze was door toedoen van hen die tevoren door de middelste zegels gekomen waren.

(147) In de diepte van de minne ontstond nu ook een nieuw geluid dat alles in beweging bracht en ook wonderlijke, nooit gehoorde lofzangen. Een nieuwe aanzwellende golf welde op om weer de nieuwkomers die daar in vuur en vlam staan te vullen met nieuwe stormkracht. Deze rijkversierde geesten kwamen met hoge roem tot bij de minne en tot bij mij in het aanschijn met de vleugels. En ze werden op dat moment elk op hun eigen plaats gezet door hun eigen serafijn. En onmiddellijk werden ze allemaal getooid met dezelfde versieringen die de minne zelf droeg en die ze ook aan mij had gegeven.

(159) Toen ook de twee onderste zegels van de vleugels aan het aanschijn waren open gedaan, kwam er een kleinere groep maar die wel veel meer wonderen dan al de anderen had gedaan. Dit waren zij, die in de omgang met hun geliefde alle ootmoed hadden afgelegd door de vrijmoedigheid van de minne. En die er in hun omgang met God kennis van hadden genomen hoe hij was in de kracht van zijn rede en van zijn rijkdom en van zijn goedheid en van zijn zoetheid en van al de wijzen waarop hij zichzelf beleeft. Deze wijzen hadden zij kunnen kennen door de zeven gaven waarvan ik al zei dat de minne ze onder haar voeten had. Zolang ze dienden om die gaven te verkrijgen, bezaten ze de ootmoedigheid van Maria en van diegenen die uit de bovenste zegels kwamen: door hun ootmoed kenden zij de minne niet en zij beseften dat de waarheid van de minne zo dichtbij was en tegelijkertijd zo hoog boven hen verheven, dat ze niet anders konden dan zich te nietig achten voor de minne.

Wat een overweldigende ruimte en talloze zielen moeten daarbij aanwezig geweest zijn! Ruimte voor velen, zegt Jezus. Het gaat hier over de hemelse woning van de minne én om de ruimte van de ziel. In de ziel woont immers de minne ook.

(179) De zeven gaven zijn de zeven tekenen van de minne. Maar er is nog een achtste teken: de aanraking tijdens de zoete eenwording die alles wat tot de rede  behoort wegneemt en die lief één laat worden met lief.
Omdat zij de gaven bezaten en nu ook de achtste gave mochten ervaren en omdat minne hen daartoe aanzette, daarom eisten zij voortdurend de genietende eenwording op en vertrouwden hun geliefde niet. Zij meenden dat zij alleen beminden en de minne hen niet tegemoet kwam. Deze ontrouw maakt hen zo diep dat ze als in een draaikolk de minne volledig in zich opnemen. En ze gaan haar te lijf in zoet en zuur. Wat de minne hen geeft, wordt verzuurd, verteerd en verslonden. Wat de minne hen afneemt, daarin zien zij juist mildheid: want de aantrekkingskracht van het genieten wordt er almaar groter door en het eisen van hun minne blijft altijd even groot. Zo kan geen enkele list van God hen van de minne afhouden.
Wie echt in minne leven en de zeven gaven bezitten, is er de achtste gave: de aanraking van Gods Liefde (tactus Dei). Dan komt de uiteindelijke vereniging met God. Dan wil je altijd verblijven in die zoetheid van de eenwording met Gods minne. Al het andere geeft minder voldoening. Wat eerst bevrediging gaf, wordt nu waardeloos. Zelfs de geliefde is minder van belang, want de minne zelf overstijgt alles.

Hadewijch geeft wel een bedenking: het getuigt van ontrouw aan de geliefde als niet de geliefde maar de minne-ervaring zelf nagestreefd wordt. Zij gebruikt zelfs de term “ontrouwe”. Ontrouw wil hier niet zeggen dat ze niet meer trouw zijn aan de minne, maar dat zij er niet op vertrouwen dat zij ooit voldoende genieten van de eenwording. De ‘ontrouwe” wil niet minder dan de minne.

Vervolgens somt Hadewijch het aantal zielen op dat de eenwording met de minne bereikt heeft of zal bereiken. Zij maakt een onderscheid tussen zielen die op alle drie de wijzen volgroeid zijn, op twee wijzen of slechts op één wijze.

(195) Zij kwamen tevoorschijn, zo versierd als de minne met alle kostbaarheden en in vol ornaat. Hun aantal is me bekend. Het is uiterst klein en ik ken elk van hen, of ze nu in de hemel zijn of op de aarde.
Van degenen die op alle drie wijzen volgroeid zijn of dat zullen zijn van de nu goddelijke mensen, bestaan er op dit moment maar negentwintig in de hemel, en hier leven er maar zesenvijftig, en daarvan liggen er elf pasgeboren in hun wieg, zes lopen buiten te spelen en vijf moeten nog geboren worden. Maar meer zullen er in deze drie wijzen niet  volgroeid worden. Het totale aantal is honderd-en-zeven. Van de middelste en onderste vleugels, van hen dus die in twee wijzen volgroeid zijn, daarvan zijn er drieduizend-en-acht. Volgroeid in de onderste en de bovenste, zo zijn er vierduizend drieëntachtig. En van de middelste ruimte alleen, daarvan zijn er zesduizend-tweehonderd-vierentachtig.

Hadewijch komt terug op de grote golf (“welling”) die met groot geweld opkwam. Hiermee bedoelt zij de grote golf waarmee allen verenigd worden met de minne.

(211) En de opwellende nieuwe golf waar ik al over sprak kwam met een geweldig gedruis aanrollen en verslond alle anderen tot één wezen. En ik zei met luide, vurige stem: ‘Jullie, serafijnen, die als taak hebben onze wonderen te dienen, houd stand en behoed onze glorie. Wij zullen allen één worden en één al.’

Vervolgens wordt Hadewijch door Maria aangesproken. Zij nodigt haar uit om Gods Liefde te smaken. Dat kan Hadewijch omdat zij zo goed haar leven heeft ingericht naar de minne.

(218) En Maria, die de eerste van de negentwintig was, zei tot mij: “Zie, hier is alles volbracht. Kom door al deze vormen heen en proef de minne helemaal die jij met je ootmoed hebt gevoed, met je trouwe rede hebt versierd en geleid, en met  je hoge trouw en al je macht hebt bedwongen en één gemaakt. Om deze reden en vanwege je sterke doorzettingsvermogen is deze verborgen hemel op deze manier aan jou geopenbaard. Zoals je de minne hier ziet, zo is zij gesierd en met deze  lofzangen wordt ze geloofd. Want de minne loochenen uit ootmoed, dat is de hoogste stem van de minne.

(230) Het werk van de hoogste trouw van de geest is de helderste stem van de minne en de welluidendste. Het geluid van de hoogste ontrouw is de zoetste stem van de minne. Daar kan verdeeldheid of scheiding niet meer bestaan. Die heb jij vanaf het begin gehad sinds je de godheid voor het eerst in deze drie vormen ontving. Sindsdien was jouw minne zo versierd in het volle aanschijn van de eeuwige Godheid, dat geen mens zoiets ooit meer opbracht, behalve dan die van de kleinste groep dat ik als negentwintigste vol maak.
Kijk, als je voortaan de minne zo wilt genieten als ik, dan moet ook je zoete lichaam hier zijn. Maar dat wil je nog wat uitstellen vanwege hen die je hebt uitgekozen om samen met jou uit te groeien – en zij zijn dat nog niet, en dan vooral voor die jij het allermeest bemint. Op het moment dat jij het wil, halen we je.
En nu, nadat je bent teruggekeerd, zal de wereld je nauwelijks het leven gunnen. Je zult je lichaam dat je zo waardig voor de minne bewaart, weer met je meenemen een korte tijd na de veertigste dag.

Het antwoord van Hadewijch is dat ze nu nog niet wil genieten van de eenwording met de minne. Ze wil haar genieten uitstellen om eerst haar leerlingen te begeleiden. Ze heeft wel de toezegging van Maria dat de engelen haar zullen ophalen naar de hemel, na de veertigste dag. Zoals Jezus veertig dagen na Pasen opgenomen is in de hemel (Hemelvaart)

(252) En het aanschijn openbaarde zich nu helemaal en ook de minne die daar in volle tooi zat. Het aanschijn waarin ik alle dingen begreep en zag, daarin zag ik hoogte, wijdte, diepte. Toen begon ik te genieten van alles wat ik tevoren had gezien en ik  viel in de grondeloze diepte en kwam toen buiten de geest: een ervaring waarover men nooit iets zeggen kan.