(Overweging van Peter Nissen
in de Studentenkerk van Nijmegen, 6 juni 2010)

 

Gelukkig zijn er ervaringsdeskundigen die mijn – misschien wel ons – onbeholpen amateurisme in de liefde te hulp komen. Een van hen is de middeleeuwse mystica Hadewijch.

Hadewijch is een raadsel. Ik heb al drie proefschriften over Hadewijch begeleid, maar toch weet en begrijp ik nog steeds weinig van deze vrouw. We weten nauwelijks iets over haar. Het enige wat ze ons na heeft gelaten, zijn een aantal teksten, en dat is natuurlijk al heel wat: visioenen, brieven, liederen of strofische gedichten en rijmbrieven of mengeldichten. Maar wie ze was, waar ze vandaan kwam, waar ze woonde en wat ze deed: we weten het niet. Op basis van een tekstje van haar hand, een Lijst van Volmaakten, wordt aangenomen dat ze in het begin van de dertiende eeuw leefde.

In Antwerpen, wordt wel gedacht, maar ze wordt pas voor het eerst in een handschrift uit 1487 Hadewijch van Antwerpen genoemd, bijna drie eeuwen dus nadat ze geleefd heeft. Misschien heeft ze behoord tot een groep van vrouwen die een religieus leven wilden leiden zonder tot een kloosterorde te behoren. Begijnen heetten die vrije vrouwen, die ongebonden spirituelen van de dertiende eeuw. Maar misschien moeten we haar wel in heel andere hoek zoeken. Een van mijn promoti, Hans Wilbrink, heeft verdedigd dat we Hadewijch niet in Antwerpen, maar juist in de omgeving van Luik moeten zoeken, waar ze in contact stond met andere religieus bewogen vrouwen, zoals de kluizenares Juliana van Mont-Cornillon. Ik noem haar speciaal, omdat zij ervoor gezorgd heeft dat in 1246 het feest van sacramentsdag voor het eerst werd gevierd, het feest dat vandaag in de meeste rooms-katholieke kerken de liturgie bepaalt.

Hadewijch is en blijft dus een raadsel. Maar zij is ook een mirakel. Terwijl er nauwelijks iets anders aan is voorafgegaan dan ‘Hebban olla uogala nestas hagunnan…’ en misschien Hendrik van Veldeke (maar schreef die wel Nederlands?), is daar opeens in het begin van de dertiende eeuw poëzie en proza in het Nederlands van het hoogste niveau en van de grootste diepgang. Er zijn wel wetenschappers die zeggen dat we Hadewijch misschien wel een eeuw later moeten dateren, want literatuur van dat niveau in het begin van de dertiende eeuw en dan nog wel van een vrouw – het zijn natuurlijk mannen die zoiets zeggen -, dat kan bijna niet. Maar toch: het is er. Een mirakel van diepgang.

En het meest miraculeuze is misschien nog wel de creativiteit, de openheid en de vrijheid waarmee Hadewijch spreekt over dat vreemde avontuur van de liefde, de Minne. Zij spreekt daarover in de taal van de ervaring. Zij heeft de gloed van de liefde ervaren, zij is geraakt door de liefde, zij is buiten zichzelf gebracht door de liefde. De liefde, de Minne, dat is een ervaring die je boven jezelf uittilt, een ervaring die je te boven gaat, die je niet zelf kunt bedenken en organiseren. Zij overkomt je. Zij heeft iets overweldigends.

Maar als ze je dan overkomt, dan sticht ze ook verwarring. De liefde is verontrustend, verstorend. Ze heeft weinig te maken met rust, met pais en vree. De liefde is als een vuur dat van binnen laait en ons ongedurig maakt. En bovenal: ze is ongrijpbaar. Ze raakt ons aan en laat ons dan weer in de steek. Ze dringt in ons binnen, wekt een verlangen en trekt zich dan weer terug, verbergt zich weer voor ons.

En dan is er de pijn van het verlangen, het heimwee naar de aanwezigheid van de Afwezige, van de Minne, die tegelijk de liefde én de geliefde is. Het is een heimwee naar die overweldigende, orgastische ervaring van eenwording, die ons geneest van onze gebrokenheid, die ons bevrijdt van onze bestaanspijn. Hadewijch bedacht voor dat heimwee, voor dat woelende verlangen naar terugkeer van de geliefde, een nieuw woord: orewoet, oerwoede. Met een wat ondeugende beeldspraak zouden we het de langdurige, de aanhoudende postcoïtale depressie van de mystiek kunnen noemen, de droeve leegte, de tristesse, de peilloze neerslachtigheid die kan volgen op de extase van de liefde. ‘Liefde is droever dan de dood’, zongen we zojuist. En de dichter Piet Gerbrandy gaf zijn bespreking van de nieuwe editie van de liederen van Hadewych in de Volkskrant vorig jaar de titel Minnen is sterven.

De liefde, de Minne, ze is er vaker niet dan wel. Zij is vooral de verlangde afwezige, de onbereikbare, de onvindbare. Maar toch hebben we weet van haar bestaan. We hebben haar gezien, we hebben haar ontmoet, we hebben haar gevoeld en ervaren. En daarmee is in ons hart een onverzadigbaar verlangen gewekt. Dat verlangen doet ons op zoek gaan, zoals de geliefde in het Hooglied. Het doet ons op pad gaan, naar buiten, de stad in, de straten in en de pleinen op. Met andere woorden: het stuurt ons het leven in. En daar, in dat leven, zoeken we de allerliefste. We vragen – misschien niet hardop, maar diep van binnen – aan de wereld, aan de mensen en de dingen om ons heen: ‘Hebben jullie mijn lief ook gezien?’

Dan is er die ervaring van ongrijpbaarheid, van onbereikbaarheid van de Minne. Hadewijch heeft misschien wel nergens meer over geschreven als juist over die ervaring, die liefdespijn: ‘Ach, hoe kan ik dan verdragen dat de minne voor ons uitloopt’. We denken de geliefde te zien, we reiken ernaar, we proberen hem of haar aan te raken en vast te houden. Maar het lukt niet. De Minne onttrekt zich aan ons, zij blijft ons vooruitsnellen. Het is als een nachtmerrie. U kent die misschien wel: je wilt iets pakken en steeds glipt het voor je handen weg. ‘Al volg ik haar, ze vlucht’, zegt Hadewijch: ‘al volch ic hare, si vliet’.

Misschien is dat wel de pijn van ons bestaan, ‘de nood van het hart’, zoals Hadewijch het noemt. We zijn aangeraakt door de liefde, we bestaan ómdat we aangeraakt zijn door de liefde. En nu willen we het ook helemaal. Zo zegt ook Hadewijch het: de Minne gaf mij iets, maar nu heb ik honger, want ik wil het allemaal. We hebben geproefd van de liefde, en dat proeven heeft ons buiten onszelf gebracht. Maar die proef heeft ook een diepe honger achtergelaten, een verlangen, een pijn van orewoet. Nu we weten wat de Minne is, zo zegt Hadewijch, is het als sterven om die Minne te moeten missen. Hadewijch is daarin heel zelfbewust: de Minne staat bij ons in het krijt. Nu wij door de Minne zijn aangeraakt, heeft zij een verplichting tegenover ons. Wij hebben recht op de Minne, wij mogen aanspraak op haar maken. ‘De Minne komt ons toe.’ Hadewijch getuigt daarin van een zekere fierheid.

Maar tegelijk blijft de Minne vaak onvindbaar. De geliefde snelt voor ons uit, buiten ons bereik. We reiken ernaar, maar vergeefs. ‘Ik zocht hem en ik vond hem niet.’ Je zou er moedeloos van worden. Dat klinkt ook bij Hadewijch door. Maar tegelijk wil zij, met haar aanklacht tegen de Minne -‘waar blijf je toch’ -, die moedeloosheid doorbreken. Daarom schrijft ze haar gedichten en brieven aan haar vriendinnen, die dezelfde ervaring van het ‘vreemde avontuur’ kennen en er even hevig pijn onder lijden. En haar boodschap is: verlies de moed niet, de Minne kiest haar eigen tijd, de Minne komt als het haar goeddunkt. Het is de boodschap die de vrouw uit het Hooglied tot de meisjes van Jeruzalem richt: ‘wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken voordat zij het wil.’

De Minne kiest haar eigen tijd, en tot het zover is, is het de moeite waard de pijn van het gemis uit te houden. Het verlangen houdt ons op de been. En desnoods geven we dat verlangen de naam God. Moge het zo zijn.