Vanaf het einde van de twaalfde eeuw gingen religieuze vrouwen in heel West-Europa, maar vooral in de Brabants-Luikse gewesten, in kleine, onafhankelijke gemeenschappen leven.

 

Begijn02Zij kozen voor een leven van eenvoud, kuisheid en onthechting in de geest van het evangelie. Hoewel deze vrouwen niet voor een kloosterorde kozen, was hun levenswijze toch zeer verwant met die van vrouwelijke religieuzen. Ze leefden als religieuzen ín de wereld en werden ‘mulieres religiosae’ genoemd. Dat betekent niet dat zij vrome vrouwen of vrouwelijke religieuzen waren, maar vrouwen met een religieus leven. Zij bleven in hun eigen levensonderhoud voorzien. Zij werden ook wel ‘begijnen’ genoemd, en deze benaming komt van het Franse ‘béguier’ dat ‘mompelen, stamelen, wauwelen’ betekent. In de grote steden waar zij vaak bijeen woonden in een eigen wijk, ontstonden zo de begijnhoven.

 

Hun kringen en gemeenschappen groeiden sterk in aantal tussen 1100 en 1300. Dit had te maken met enkele maatschappelijke ontwikkelingen. Deze gemeenschappen boden vrouwen de kans om zelfstandig te blijven. Daarbij komt nog dat overal in Europa de bevolking toeneemt, met name ook in de steden. Door de kruistochten vanaf 1096 ontstaat er een vrouwenoverschot. Bovendien hadden de kleine, schone en meer gesloten gemeenschappen minder te vrezen van de vreselijke ziekte van de pest. Vanwege al deze redenen zien we ook een explosieve groei in de vrouwenkloosters. Zij kunnen deze aanwas niet aan en dat is ook een reden dat er zich onafhankelijke leefgemeenschappen van vrouwen ontwikkelen.

 

Deze bijzondere levenswijze zonder regel riep wantrouwen op bij de religieuze overheden. De vrouwen en haar gemeenschappen vielen immers niet onder kerkelijke jurisdictie. Waren zij wel te vertrouwen, deze onafhankelijke en religieuzen vrouwen? De kerkelijke en maatschappelijke overheden probeerden na verloop van tijd de beweging van deze ‘mulieres religiosae’ te kanaliseren in begijnhoven, met eigen leefregels en onder gezag van kerkelijke overheden.

 

BegijnhofBreda

(Begijnen in het hof van Breda)

 

Opvallend is dat in de Lage Landen deze begijnen gesteund en beschermd werden door machtige en rijke bondgenoten vanuit de adel. Het had misschien ook te maken dat veel ‘mulieres religiosae’ van adellijke afkomst waren. Een bekende, openbare beschermheer van deze vrouwen was Jacob van Vitry (1170-1240) die zich voor de religieuze vrouwenbeweging inzette. Hij slaagde erin om bij de paus zelfs een mondelinge goedkeuring te krijgen voor de levenswijze van deze vrouwen. In een van zijn preken beschrijft hij de levenswijze van deze vrouwen als volgt: “Zij leven in een en hetzelfde huis en onder leiding van een van hen die de anderen in deugd en wijsheid overtreft, worden zij zowel door het goede voorbeeld als door geschriften onderricht in het waken en bidden, in het vasten en in allerlei verstervingen, in de nederigheid en de zelfverloochening.”

 

Juist binnen deze kringen van spirituele vrouwen ontwikkelt zich in de 12e eeuw een sterke opleving van de christelijke spiritualiteit. Een nieuwe spiritualiteit die zich meer richt op de persoonlijke beleving en ervaring. De aanzet hiertoe werd gegeven door abt Bernardus van Clairveaux. Het gaat hem er om dat de gelovige de bijbelse boodschap persoonlijk te beleven: Gods Liefde en de verbondenheid van God en mens ervaren in het hier en nu. Voor deze verbondenheid van God en mens maakt Bernardus gebruik van de liefdes-symboliek van het Hooglied. God is niet langer meer een afstandelijke en huiveringwekkende God, maar onze God van Liefde die wij mensen dagelijks kunnen ervaren. Deze vernieuwde christelijke spiritualiteit van de Gods Liefde werd verder uitgediept in de beweging van “mulieres religiosae’. Deze vrouwen verbonden de spiritualiteit van Bernardus aan haar eigen mystieke ervaringen. Deze liefdesmystiek kleurt hun werken.