Een wezenlijk aspect van de minnebeleving is voor Hadewijch de begeerte. De begeerte, het verlangen naar de minne is de drijfveer die haar steeds naar de eenwording met de Minne beweegt.

Een van de sleutelwoorden die Hadewijch hierbij gebruikt is ‘orewoet’. Een woord dat we in onze huidige Nederlandse taal niet meer kennen. In het Middelnederlands is het woord ‘orewoet’ verwant aan ‘woet’, ‘woeden’ ‘verwoedelijk’ en ‘verwoet’. Orewoet wordt omschreven als ‘gloed’, ‘hitte’, ‘vurigheid’ en vooral als ‘geestelijke gloed, extase’. Misschien komt het van ore-woet, een waanzinnnige gedrevenheid die bij een dier wordt waargenomen als door een of ander insect wordt gestoken, zoals bijvoorbeeld een paardevlieg. ‘Woet’ wijst op een ‘sterke ongedurigheid en vurige onrust’ en ‘brandende begeerte’. ‘Verwoedelijk’ staat voor ‘buiten zichzelf’ en ‘heftig begerend’.

De Hadewijch-kenner van Jozef van Mierlo heeft nauwkeurig onderzocht hoe Hadewijch dit sleutelwoord gebruikt. Volgens hem heeft ‘orewoet’ alles te maken met een stevig, hartstochtelijk liefdesverlangen. Volgens hem is het niet zozeer de extase, maar een ‘weevolle drang naar de Minne’. De begeerte vloeit voort uit de Minne. Hij spreekt ook wel van een ‘hartstochtelijke liefdesbrand’. De Minne heeft zich doen voelen en is verdwenen en dan blijft alleen de honger over: een hevig verlangen om de hoogste Liefde te verkrijgen (rond 1924!).

 

Hulst04Hakenbeidenmerren

(“Haken beiden merren”
schilderij van Coby van Hulst)

 

Marie Helène van der Zeide hanteert in haar proefschrift over Hadewijch (1934) een veel ruimer en opener begrip van het verlangen bij Hadewijch. Zij wil de betekenis van Hadewijch niet bij voorbaat christelijk inkleuren. Centraal is voor haar niet de Minne tot God, niet het verlangen naar Gods Liefde, maar het grote verlangen. Het verlangen van grote zielen om uit te breken uit de begrenzingen van het kleine ik, om op te gaan in het meer dan ik: de eeuwige honger, die honger is naar het Eeuwige. Voor haar blijft het verlangen onvervulbaar. Het verlangen is dus ook niet een eerste fase, dat overwonnen moet worden. Verlangen is existentiëel, eigen aan de mens.

Jos Reynaert heeft zich uitgebreid bezig gehouden met de beeldspraak van Hadewijch. Uit zijn onderzoek concludeert hij dat Hadewijch nergens een duidelijke omschrijving geeft van wat ‘orewoet’ nu precies is. Blijkbaar was het in haar kringen een algemeen bekend begrip. ‘Orewoet’ zou met name verwijzen naar de spanning tussen hoop en wanhoop, tussen het besef van de heerlijkheid die de Minne biedt enerzijds en het besef van de eigen ontoereikendheid anderzijds. Daardoor is de ‘orewoet’ ook een kracht en een gerichtheid: het drijft de mens naar de Minne toe. Zonder ‘orewoet’ ben je traag van hart.

Andere onderzoekers en vertalers van Hadewijch hebben aangetoond dat ‘orewoet’ vooral te maken heeft met een ‘heftig en brandend verlangen’ (De Paepe, Mommaerts), ‘onstuimige drang’(Mommaerts) en een ‘waanzinnig en angstwekkend verlangen’ (Vekemans). Opvallend is dat de Engelse en Franse vertalingen veel meer verwijzen naar ‘woede’ en ‘waanzin’ (madness, violence, fureur).

Astrid van de Weijdenberg trekt in haar onderzoek naar de betekenis van ‘orewoet’ een duidelijke conclusie: ‘orewoet’ verwijst naar een ‘hevig, bijna waanzinnig, hartstochtelijk verlangen’. Vooral Lied 28 van Hadewijch is opgebouwd rond de thematiek van ‘orewoet’ en de minne.

Rob Faesen heeft heel gedetailleerd onderzocht hoe Hadewijch zelf over de begeerte van de mens schrijft en hoe haar teksten geïnterpreteerd zijn. Hij geeft een nauwkeurige omschrijving van de begeerte bij Hadewijch. Begeerte is de nooit eindigende beweging van de gehele persoon naar een volledige levensgemeenschap met Christus. Hij destilleert uit vele teksten van Hadewijch zelf dat de begeerte bijna altijd te maken heeft met haar beleving van Jezus Christus.

Verwonderlijk blijft dat Hadewijch het verlangen vaak verbindt met het lijden van de mens. Niet alleen omdat het verlangen verwijst naar wat men mist en nog komen moet. Bijvoorbeeld het uitzien naar de minne, dat gepaard gaat met pijn omdat de minne en de geliefde afwezig is. Wanneer een mens zich verlaten voelt van Gods Liefde en dat als erg pijnlijk ervaart. Dit pijnlijke gemis klinkt zeker ook door in haar werk. Maar waar het Hadewijch vooral om gaat is om een veel diepere verbinding te laten zien tussen verlangen en lijden. De begeerte is geen stadium dat overwonnen zal worden, maar begeerte is geboeid aan het lijden en ook omgekeerd. Dit inzicht is een van haar bijdragen aan de christelijke mystiek.

 


 

Blijkens Onze taal 2005, p. 209 is orewoet het mooiste Nederlandse woord volgens emeritus hoogleraar dialectkunde Toon Hagen. Hij hoorde het woord voor het eerst als student in een college over mystiek, hield het sindsdien in zijn persoonlijke lexicon gegrift, en zegt er als taalkundige nu van: “Naar de vorm is orewoet niet transparant. Dat past bij de mistige mystieke wereld waarin het functioneert. Het element –woet uit de samenstelling, dat als zelfstandig woord ook varianten kent als woetheid en woetscap, is wel hetzelfde als ons hedendaagse woede; het had vroeger een bredere betekenis ‘dolzinnigheid’, ‘razernij’, die zich niet alleen in ‘boosheid’ uitte. Het eerste element ore- is duister. Etymologen menen dat dat niet het voorvoegsel oor- (als in oorkonde) kan zijn; ook het lichaamsdeel oor is onwaarschijnlijk, evenals oer-. Al is het wel verleidelijk aan dit laatste te denken, want orewoet roept associaties op met oerol, oeralinda en andere oer-woorden. Zo ervaar ik in ieder geval het klankkarakter  van het woord: het rolt voort met de ronde, achter in de mond hangende oo- en oe-klanken, niet gehinderd door de lichte, glijdende en halfvocalische medeklinkers, tot het afgesloten wordt met een ferme explosieve t. […] rond en donker van klank, duister als samengestelde vorm, zonder scherpe grammaticale contouren – het woordgeslacht kan vrouwelijk, mannelijk en onzijdig zijn – en rood van koloriet, want het woord is doorstraald van minnegloed”.
(Aldus Frits van Oostrum)