De Nederlandse componist Louis Andriessen componeerde in 1989 De Materie, een muzikaal essay met theatrale illustraties. Het stuk bestaat uit vier delen van elk ongeveer 25 minuten, die op zeer diverse wijze de materie belichten. Andriessen gebruikt hierbij teksten uit de Nederlandse cultuur, die hij in hun eigen historische context probeert te plaatsen en anno 1989 toonzet op een manier die recht doet aan de muzikale praktijk van toen. Deel 2 gaat terug naar de 13e eeuw: een tekst van de middeleeuwse mystica Hadewych (‘geest gematerialiseerd in het lichaam’). Inspiratie voor de muzikale vorm is de kathedraal van Reims. De tekst komt uit het  zevende visioen van Hadewijch.



 

Andriessen verwoordt zelf: “Met behulp van het ‘Zevende Visioen’ wordt de weg van het aardse naar het geestelijke verbeeld. Het spirituele staat centraal. De band met de materie wordt bewaard via de relatie van Hadewych’s gang door de kerk (naar de hemelse eenwording met God) met het lawaai van en de ‘rotzooi’ in zo’n middeleeuwse kathedraal.” Andriessen heeft deze tekst getoonzet. Hij laat Hadewych zingen tegen een muzikale achtergrond die de architectuur van een middeleeuwse kathedraal weerspiegelt.

 

Over het ontstaan van dit stuk en over andere stukken schrijft Andriessen in de bundel Gestolen tijd: ‘Ik had allang het idee om iets met de kathedraal van Reims te doen en ook met Hadewijch, maar ik wist nog niet dat dat hetzelfde stuk zou worden’. Andriessen vertelde dat hij waarschijnlijk met Hadewijch kennismaakte tijdens de literatuurlessen op school. ‘Toen het stuk allang gemaakt was en gespeeld werd, had ik nog steeds te kampen met het feit dat bijna niemand wist wie die vrouw was, zeker niet buiten de landsgrenzen. Gelukkige uitzondering is Vlaanderen, waar zij veel beter bekend is dan in Nederland. Het is wonderlijk dat nu, sinds een jaar of twee, iedereen wel van Hildegard von Bingen gehoord heeft. Zij was even in de mode. Ineens zie je overal om je heen specifieke kennis, als je dat nog kennis kan noemen. Nu moet ik steeds als ik over Hadewijch spreek vertellen dat zij een soort Hildegard von Bingen is. Heel dom en bovendien niet waar, want er zit wel honderd jaar tussen. En hoewel de tijd heel langzaam ging in de Middeleeuwen, honderd jaar moet enig verschil gemaakt hebben. (Andriessen, 2002, p. 199).