Hadewijch – Variaties,
(1) Brief achtentwintig’

 

Als ik zwijg kan ik u horen. Wat ik hoor
legt mij het zwijgen op. Wat ik verzwijgen moet
hoor ik met mijn ziel vol tanden aan.
Als ik u uitspreek scheuren de talen mij open
— dus ik zwijg en ik slaap
in het voorhoofd van uw nacht.

Blijf, trek het laken der firmamenten
niet van mij af. Laat uw naakte hemel

en diens hemisferen als een dakloos
raadsel op mijn ogen rusten.

Leg een vinger op mijn lippen Liefste.
Uit één vinger valt men niet.

(uit: Erwin Mortier, Uit één vinger valt men niet
(2005), p. 53.

 

Erwin Mortier (1965) was van 1991 tot 1999 wetenschappelijk medewerker aan het Museum Dr. Guislain, Geschiedenis van de Psychiatrie. Hij debuteerde met de roman Marcel (1999), die meervoudig werd bekroond. In 2000 verscheen zijn tweede roman, Mijn tweede huid. Voor zijn dichtbundel Vergeten licht (2001) ontving hij de C. Buddingh’-prijs. In 2002 volgde de derde roman, Sluitertijd, en de essaybundel Pleidooi voor de zonde. In 2004 verscheen zijn novelle Alle dagen samen, in 2005 gevolgd door Uit één vinger valt men niet, gedichten bij foto’s van Lieve Blancquaert. De foto’s in deze bundel werden genomen in het voormalige Klooster van de Minderbroeders of ‘freremineuren’ te Gent, die hun klooster kort daarvoor verlaten hadden. Erwin Mortier werd in 2005 gevraagd om het stadsdichtersambt van Gent op zich te nemen voor twee jaar. De bundel Uit één vinger valt men niet bevat ondermeer de eerste drie stadsgedichten. Inmiddels is Mortier weer ‘gewoon’ schrijver. – Overgenomen uit: De Contrabas, literaire weblog)