De vijftiende rijmbrief is te mooi om niet in zijn geheel weer te geven in het Diets. In de originele tekst is te horen hoe knap de dichteres omgaat met beelden, taal en klanken. Daarom geef ik de originele tekst weer met een gebrekkige vertaling voor wie het Diets te lastig is. In tegenstelling tot de andere rijmbrieven gaat het hier veel meer om een echt gedicht. Dat valt niet alleen af te leiden uit de inhoud (persoonlijke ontboezeming) maar ook uit het bijzondere rijmschema. De vijftiende rijmbrief beschrijft het hevige verlangen van Hadewijch naar de minne (“orewoet”).

(1) Ic groete dat ic minne
Met miere herten bloet.
Mi dorren mine sinne
Inder minnen oerwoet.

Ay, hertelike suete minne,
Volwasse na dijn wesen,
So moghen mine sinne
Vander doet ghenesen.

(9) Ay, here over kare,
Waerdi dat ghi sijt
In uwe natuere, so ware
Iet mijns gheduerens tijt.

Ay, over suete raste,
Haddi al dat uwe vercreghen,
So waren mine laste
Verlicht die nu so weghen.

(17) Ay, over suete natuere,
Hoe ghedoet die herte dijn?
Ic en can ghedueren ene ure,
Ic moet al der minnen sijn.

Ay, hertelike joffrouwe,
Dat ic so vele te u spreke,
Dat doet mi nuwe trouwe
Van dieper minnen treke.

(25) Ay, hadden wij dat wij hebben,
So waren wij beide so rike,
So soudemen luttel venden
Iewerinc onse ghelike.

Ay, ic woede in moede met spoede
Na tgoede dat ic der minnen volsi;
Ay, in woet zijn vroet dats spoet,
Ja in woet van minnen vri.

(33) Ic hake, ic wake, ic smake
Die sake die mi dunct soete;
Ic kinne met sinne daer es inne
Die minne mijns evels boete.

Ic doge, ic poghe omt hoghe,
Ic soghe met minnen bloede;
Ic groete dat soete, dat moete
Boeten mine orewoede.

(41) Ic beve, ic cleve, ic gheve,
Ic leve op hoghen waen,
Dat mine pine die fine
In de sine sal al ontfaen.

Ay, lief, hebbic lief een lief,
Sidi lief mijn lief,
Die lief gavet omme lief,
Daer lief lief mede verhief.

(49) Ay, minne, ware ic minne
Ende met minnen minne u minne!
Ay, minne, om minne ghevet dat minne
Die minne al minne volkinne.

 

(Werkvertaling Adrie Lint)

(1) Ik groet u dat ik minne
met het bloed van mijn hart.
Mijn vermogens drogen uit
door hevige verlangen naar minne.

O hartelijke, zoete Minne,
voltooi uw eigen wezen,
dan kunnen al mijn vermogens
van de dood genezen.

(9) O allergeliefste Heer,
bent U wat U wezenlijk zijt,
dan zou ik verpozing vinden
in U, voor enige tijd.

O overheerlijke rust,
als ik u helemaal had ontvangen,
dan werden mijn lasten
verlicht, die me nu zo zwaar wegen.

(17) O aller zoetste nature,
hoe is het met uw hart gesteld?
Ik kan het nog geen uur uithouden
of ik moet al aan de minne toebehoren.

O geliefde, jonkvrouw,
dat ik zoveel tot u spreek,
dat komt door het nieuw vertrouwen
van diepe minnestreken.

(25) O hadden wij wat wij bezitten,
dan waren wij beiden rijk,
en zou men weinigen vinden
die enigszins aan ons gelijk zijn.

O ik ben met spoed in liefde ontstoken,
na het goede dat ik van minne ontving.
O wijs zijn in verlangen is zo goed
ja, in verlangen van Minne, vrij.

(33) Ik verlang, ik kijk er na uit, ik proef
wat ik als heerlijk beschouw.
Ik ken met mijn innerlijke vermogens
de Minne, de genezing van mijn kwalen.

Ik doe het goede, ik reik naar het hoge,
ik voed me met bloed van minne,
ik begroet dat zoete, dat moet
mijn hevig verlangen genezen.

(41) Ik beef, ik hecht me, ik geef,
ik leef helemaal in de veronderstelling
dat mijn lijden zal ophouden
en in het Zijne alles zal verwerven.

O, als ik één lief mag liefhebben,
wees jij dan, lief, mijn lief,.
Die gaf wat je lief was, lief,
waar lief lief mede verhief.

(49) O minne, was ik toch minne
en met Minne uw minne beminnen.
O minne, om minneswil geef dat minne
al minnend de minne kennen mag.