(Om een indruk te krijgen van de rijmbrieven
volgt hier een korte impressie.)

De eerste rijmbrief is geschreven aan een ”joncffer” (1,107) voor wie Hadewijch een zekere bewondering heeft. De vrouw weet meer van minne dan Hadewijch.  Zij schrijft aan deze jonge vrouw, op verzoek van deze vrouw zelf. Deze lange brief gaat over de natuur van de minne. Hadewijch begint met een simpele groet, en tegelijk ook een klinkslag die ontvanger of lezer ter harte mag nemen:

(1,1) God  zij met u: want in mijn groeten
mag u geen enkele deugd ontmoeten.

Hadewijch begint vanuit haar bescheiden plaats. Het gaat immers niet om haar, maar om de mystieke opvattingen die zij van God heeft ontvangen. Niet haar werk, maar het werk van God staat centraal. In de regels klinkt een sterke nederige houding door, waarmee het leven benaderd wordt.

(1,41) Wie helemaal aan de minne wil toebehoren
moet in alles minzaam zijn.
Die moet door minne geduld hebben met alle leed;
zal zich moeten leren voegen naar alle dingen,
of ze nu licht zijn of zwaar,
alsof ze van haar eigen waren.

Ook in haar Rijmbrieven komt Hadewijch regelmatig terug op het hevige verlangen (“orewoed”) die zij heeft naar de mystieke eenwording met Gods Liefde. Bijvoorbeeld:

(1,195) Hevige hartstocht is de grond van het verlangen,
dat menig hart ongezond maakt.
Begeerte opent zich altijd zo wijd
dat ik niet kan zeggen waar het mee te vergelijken is.
Want alles wat ik ermee vergelijk is te klein,
voor zulk een verlangen, zo is mijn mening.

In de tweede rijmbrief gaat het over de kracht van de minne. De brief gebruikt de stijl van een strijdgedicht, aldus J. van Mierlo (1952). Het gaat terug op een bekend bijbels dispuut waarin gouverneur Zorobabel door zijn wijsheid keizer Darius overtuigde om de verwoeste tempel van Jeruzalem te mogen herbouwen.
Het is geschreven aan een jonge godgewijde In dit strijdgedicht wordt de vraag gesteld wie het sterkste is ter wereld: de wijn, een koning, de vrouw of de waarheid ? Hadewijch vindt ze alle vier sterk en legt ze allegorisch uit. Maar uiteindelijk, boven al, is het de Minne die al deze krachten in zich opneemt.

(2,85) Waar men zich volledig aan de minne geeft,
en haar met kracht uitdraagt,
daar mint men eeuwig om zo te zeggen
en bezit je precies wat je hebben wilt.

In deze brief werkt Hadewijch een thema uit wat elders minder aan bod komt: berouw, vergeving en penitentie zijn belangrijke stappen om goed te kunnen minnen.

In de derde rijmbrief wordt een groot deel aan de betekenis van Maria gewijd. Voor Hadewijch is zij een sterk voorbeeld geweest. Maria laat zien hoe ootmoed, nederigheid noodzakelijk is om de Minne te bereiken. Zonder deugden en zonder ootmoed kan zij de ervaring van de eenwording met de Minne niet bereiken. Deze rijmbrief heeft de nodige verwijzingen naar Lied 29, dat ook uitdrukkelijk over Maria gaat.

(3,21) Ach, hoe moeten zij alles opgeven voor minne,
die zich geheel en al aan de minne geven.
En hoe zullen zij meten afzien in eenzaam lijden!
Dat laten hun woorden, hun daden ons blijken.
Dat toonde zeker ook de moeder van de minne;
aan haar kon men dit het eerste leren kennen.
Alles wat voor haar tijd om minne gedaan werd,
zij was het bij wie men alles kon begrijpen.
Zij was niet bang voor de wet of voor verwantschap,
(30) gewoonte, loon, bedreigingen, geld of klachten.
Alles liet zij omwille van haar enig lief.
Dus het was terecht dat de minne haar verhief.
Toen heeft de minne haar moeder van de minne gemaakt.
Waarom zou iemand die wijs is dit vergeten?
Over haar spreken gaat mijn kracht te boven,
want ik deed niet wat de minne van mij vroeg:
maar zij volgde de voornaamste raadgeving van de minne
en doorleefde haar vertrouwen.
Zo klom zij op tot het hoogste niveau
(40) waarin zij minne ten volle mocht genieten.
Dus mijn nederigheid doet mij van haar zwijgen
en voor haar hoogheid buigen.

In tegenstelling tot onze samenleving waar men elkaar graag ter verantwoording roept, geeft Hadewijch God de volledige vrijheid. Het is interessant om te zien dat de moderne mens ook God vaak ter verantwoording roept. Bijvoorbeeld in de grote vragen waar theologen na de Tweede Wereldoorlog zich mee bezig houden: had God die Grote Ramp niet kunnen tegenhouden? Of een andere actuele vraag: wat is Gods Liefde waard als we kijken naar de honger en oorlog in de derde wereld? Hadewijch daarentegen laat haar geliefde (Minne) vrij.

(3,83) Want het mooiste leven dat ik ken,
al weet ik dat het voor mij onbereikbaar is,
is dat men God vrij laat begaan
in nemen en geven, in stormgeweld en vrede,
vrij in minnen, vrij in haten:
het zou allemaal om het even zijn,
Wil God komen, of wil God gaan,
(90) dat moet men allemaal in minne verstaan
en zo opnemen omdat God zelf minne is.
En men moet zich oefenen daar genoegen in te scheppen,
want het is het beste om God met God te ontvangen
te behouden, en innig te verstaan.
Wie zich van God meester wil maken,
ik denk dat hij altijd buiten God zal blijven.
Want niemand kan God genoeg doen
die het beeld draagt van de aardse mens.

In deze, derde rijmbrief vinden we een van de weinige gebeden die Hadewijch heeft nagelaten. Een kort schietgebed, een hartenkreet:

(3,140) Ik bid: O edele Minne, doe nu
helemaal wat U wil met mij:
is het dood, is het leven, U hebt er alle recht toe.

De vierde rijmbrief gaat over de Drie-eenheid: Vader, Zoon en Geest. God heeft dit beeld van de Drie-eenheid liefdevol in onze ziel ingeprent De Rede is het beeld van de Zoon, de Wil is het beeld van de Geest en de Memorie is het beeld van de Vader. Erg consequent is Hadewijch niet in deze verbeelding. De vijfde rijmbrief onderstreept het belang van de arbeid om tot de minne te komen. De zesde rijmbrief heeft Hadewijch gestuurd om iemand te steunen en te bemoedigen. Ook in de zevende rijmbrief en achtste rijmbrief richt Hadewijch tot een jeugdige religieuze vrouw om haar te ondersteunen in haar zoektocht naar de minne.

In het begin van de achtste rijmbrief zet Hadewijch een kritische kanttekening bij de bedienaren van de kerk. Ook uit andere plaatsen weten we dat Hadewijch gedurende bepaalde tijd zich bedreigd voelde door autoriteiten. Niet duidelijk is wie deze autoriteiten zijn: kerkelijke of politieke leiders of verantwoordelijken uit de religieuze wereld? Het mag duidelijk zijn dat onafhankelijke religieuze vrouwen (zoals de latere begijnen) het moeilijk gehad hebben.

(8,1) Wie iets in zijn innerlijk leven voorbehoud,
die zal niet groeien in de minne.
Men moet alles van minne met minne volbrengen,
wil men de minne voldoening kunnen schenken.
Dat kan men niet bereiken
met alle diensten van de heilige kerk,
maar wel als je in de minne alles geeft,
en afziet van alle andere vreugden.
Als je niet naar andere genoegens verlangt
maar al het onbereikbare naleeft.

In de negende rijmbrief gaat het vooral over Christus, die een voorbeeld voor ons leven moet zijn: juist op het punt van de nederigheid. Niet de heerlijke ervaring van de eenwording met God is doel van het leven, maar de minnedienst in het gewone leven. Dit wordt verder in de tiende rijmbrief uitgewerkt. In de elfde rijmbrief komt dit thema terug waar het gaat om standvastig-zijn.

God is Minne, schrijft Hadewijch aan een leerlinge in de twaalfde rijmbrief. Daarmee plaatst zij zich in een lange traditie van christelijke mystici. Niet liefde is God, maar God is liefde. Zij vereenzelvigt liefde niet met God, maar laat zien dat haar God Liefde is. Dat is een wezenlijk verschil, waarbij God niet verdwijnt, maar juist een gezicht krijgt. Zij voegt er nog iets aan toe: God is onse minne. Met andere woorden God bestaat wanneer wij minne beleven en uitdragen. God wordt werkelijk waar wij God aan het licht brengen. Zo roept in deze rijmbrief op om naar de stem van de minne te luisteren.

(12,1) In God, die is onze minne,
– voor zover ik inzicht heb in de minne –
ben ik bedroefd dat hij niet alleen was
wat wij beminnen en kennen.
Met zulke minnen als hij is,
lieve schat, zo groet ik jou
met geheel mijn hart.

(12,19) God heeft wonderen voor ons gedaan
dat Hij ons in minne heeft laten bestaan.
Nadat we daartoe zijn gemaakt
om te weten hoe minne met minne smaakt,
wendt u dan met ware deugden
naar de zoete minne, met alle kracht die u hebt.

De dertiende rijmbrief bevat een lofzang op de minne. Met alle tegenstrijdigheden die de minne oproept. De originele tekst spreekt hier voor zich:

(13,1) Dat suetste van minnen sijn hare storme;
Haer diepste afgront es haer scoenste vorme
In haer verdolen [dwalen] dats na gheraken [nabij komen];
Om haer verhongheren dats voeden ende smaken
Hare mestroest [wanhoop] es seker wesen ;
Hare seerste wonden es al ghenesen
Om hare verdoyen [wegkwijnen] dat es gheduren
Hare berghen es vinden alle vren
Om hare quelen dat es ghesonde
Hare helen openbaert hare tonde.

De veertiende rijmbrief roept de lezer op om zich te wijden aan de ootmoed. Zoals Maria dat heeft gedaan. Door de ootmoed komen we tot de Minne. De groei van de Minne in de menselijke ziel vergelijkt Hadewijch met een zwangerschap. Negen maanden staan voor de verschillende fasen van de ziel die zich steeds verder ontwikkelt naar de minne toe. Het is vooral Maria die ons leert wat de kracht van ootmoed is. De nederige, zwakke krachten winnen het uiteindelijk van alles wat groots en triomfantelijk is:

(14,35) De grootheid van de minne zal daar komen,
ja, over alle menselijke overwegingen
die in deze wereld geboren worden heen,
waar men nederig in ootmoed afdaalt.
Wil jij dus nederig zijn en afdalen,
(40) dan zal je de volmaakte minne verwerven.
Want dat zorgde ervoor dat God in Maria afdaalde.
En op dezelfde manier behandelt God degene
die hem in nederigheid de minne aanbiedt:
God mag hem Zijn grootheid niet ontzeggen.
Die zal God ontvangen in eenzelfde dracht
zoals een kind in zijn moeder volgroeien zal.

De vijftiende rijmbrief is een knap staaltje van de taalkunstenares Hadewijch. In het Diets horen we de klanken zingen (zie Rijmbrief 15). De brief beschrijft het hevige verlangen van Hadewijch naar de minne (“orewoet”)

De zestiende en laatste rijmbrief is meer een verhandeling dan een brief. Het lijkt meer een openbare brief voor een gezelschap waar Hadewijch al meer een inleiding voor heeft gehouden. De rijmbrief gaat over de zeven namen van de minne en wat die betekenen.

(16,1) De minne heeft zeven namen,
zoals u wel weet, die bij haar passen.
Dat zijn ‘band’, ‘licht’, kool’ en ‘vuur’.
Deze vier namen zijn haar trots.
de andere drie zijn groot en sterk,
altijd kort en eeuwig lang.
Dat zijn ‘dauw’, levende bron’ en ‘hel’.

De Minne is een ‘band’ die de mens met Gods Liefde verbindt en in elkaar kan doen opgaan. Door deze band kan de mens God smaken: “Hij eet ons en wij zijn in de veronderstelling dat we Hem eten”(16,39). Met een duidelijke verwijzing naar de Eucharistie. De Minne is ook een ‘licht’ dat laat zien hoe mensen het goede kunnen doen. Zij is een ‘kool’ die de ziel aansteekt in een hevig verlangen (“orewoet”). Minne is ‘vuur’ dat alles verteert en zich op Gods Liefde richt. Hier wordt nog eens duidelijk dat dit hevig verlangen van de mens niet eenduidig is, maar allerlei tegenstrijdige gevoelens met zich mee brengt. De Minne is ook ‘dauw’:

(16,103) Haar naam ‘Dauw’ heeft haar eigen taak.
Als het vuur dus alles verbrandt met zijn kracht,
dan komt de dauw en die maakt alles vochtig,
als een vreselijk zoete lucht
en die brengt het kussen van de edele naturen
en geeft hen rust in alle onrust.
De begeerte slokt zo hun geven op
dat ze zo altijd maar doorgaan.
Dan worden alle stormen geluwd
die daar waren opgekomen.
Daar ontstaat een stilte
waar de geliefde van de geliefde zal ontvangen:
zulk kussen als bij de minne past.

De Minne is ook een ‘levende bron’ van water dat vloeit en terugvloeit tussen degenen die minnen. De zevende naam voor de Minne is ‘hel’, want wie mint is helemaal afhankelijk van de minne. Opvallend dat Hadewijch ook zo’n negatieve lading geeft aan de Minne. Omdat de Minne alles en iedereen verslindt:

(16,197) Dit brengt ons bij de zevende naam,
die de hoogste is en het best bij de Minne past.
Dat is ‘hel’, volgens het echte wezen van de Minne.
Want ze vernietigt ziel en verstand
zo dat ze niet meer kunnen herstellen,
en niets anders meer willen ondergaan
dan: verloren zijn in de storm van de Minne
met lichaam en ziel, met hart en verstand,
elkaar blijvend beminnen, verloren in die hel.
Wie dat wil, moet er voor uitkijken,
want voor minne bestaat er geen ander opstaan
dan altijd troost of pijn te krijgen.
Diep in het hart dat van binnen trouw blijft,
daar zoekt men het offer van de ware minne.
Doen wij alzo, dan moeten wij winnen,
ook al staat men er ver vandaan, men zal het erkennen.