Visioen 11
(vertaling Albert Verwey – 1922)
Ik lag op een kerstnacht zwaar neer en werd opgenomen in de geest. Daar zag ik een heel diepe kolk, een brede en donkere, en in die kolk, die brede, was alles wat bestaat vast en dicht bedwongen en besloten. Het donkere verlichtte en doorzag alles. De diepe grond van die kolk was zo onpeilbaar dat niemand ertoe zou kunnen geraken. Ik laat nu daar hoe hij geschapen was want het is nu geen tijd daarvan te spreken. Ik kan het niet goed onder woorden brengen, dat ten eerste, want het is onuitsprekelijk. Ten tweede is het er nu de plaats niet voor, want er behoort veel toe, dat ik daar zag. Het was de gehele omvang van de macht van ons lief. Daarin zag ik het lam ons lief bezitten. In die ruimte zag ik feesten als een David harpende en hij sloeg een slag op de harp. Daarna zag ik een kind geboren worden in de verborgen liefhebbende geesten die zichzelf verborgen zijn in de diepte waarvan ik spreek en die niets ontberen dan dat ze erin dwalen. Ik zag van allerhande geesten de gedaanten, ieder in zijn voorkomen waarin hij leefde. Die ik zag en die ik kende bleven mij bekend en die ik niet kende werden mij bekend, sommige van hen inwendig, en velen ook uitwendig. En sommigen zag ik inwendig die ik nooit uitwendig zag.
Komen zag ik daar als een vogel die men fenix noemt; hij verslond een grijze adelaar die jong was en een blonde met nieuwe vederen die oud was. Die adelaars vlogen onophoudelijk door die afgrond. Daarop hoorde ik een stem als de donder, die zei: Weet gij wie zij zijn die daar zo verschillende kleur hebben? En ik antwoordde: Ik wou ‘t wel beter weten. Toen ik het begeerde te weten, zag ik daarop alle dingen, hoedanig zij waren. Want alles wat men ziet met die geest als men in de liefde is opgenomen, dat doorkent men, doorproeft men, doorziet men en doorhoort men. Zo was ‘t nu ook. Toch wou ik graag de stem horen die uit mijn lief te hoor- en kwam. Er werd me dus de waarheid gezegd omtrent al wat ik daar zag: met name de naturen en de deugden. Te lang ware dit alles; ik laat het blijven; want er zou een dik boek toe horen, als men dit alles geheel naar waarheid schrijven wou. Van de arenden die verslonden werden was de ene Sint-Augustinus, de andere ik. De oude vederen die grijs waren en de arend die jong was, dat was ik die komende en beginnende en groeiende was in de liefde. De vederen die blond en oud waren, dat was de volgroeidheid van Sint Augustinus die in de liefde tot ons lief oud en volkomen was. De oudheid (van vederen) die ik ook had, dat was naar mijn volkomen natuur als eeuwig wezen, al was ik naar de uitwendige natuur eerst beginnende. De jonge vederen van de oude arend dat was de vernieuwing en de nieuwe heerlijkheid door mijn liefde, waarmede ik hem liefhad en zozeer begeerde een in liefde met hem te zijn, in de drievuldigheid waarin hij zo geheel en onuitblusselijk brandde van liefde. De jonkheid van de oude vederen die blond waren was ook de vernieuwing van de liefde die altijd groeiende is in de hemel en op aarde. De fenix die de arenden verslond, dat was de eenheid waar de drievuldigheid in woont, waarin wij beiden verloren zijn.
Toen ik hierna tot mezelf kwam, waar ik ‘t arm en ellendig vond, dacht ik na over die eenheid waartoe ik met Sint Augustinus geraakt was. Ik was er niet tevreden over dat mijn allerliefste dit met mijn genegenheid gedaan had: het bezwaarde me dat ik zo volkomen genoegen genomen had met die eenheid, terwijl ik tevoren buiten heiligen en mensen om alleen één was met God. Mij was daardoor bewust geworden dat men in de hemel noch in de geest met geen wil gemeenschap hebben mag dan met die van de liefde. Toen ik dat zo overdacht, begeerde ik van mijn lief dat hij mijn vrij zou laten. Want ik wou alleen blijven. Opgenomen in zijn diepste afgronden. Ook wist ik dat hij mij van kind af alleen tot zich getrokken had, weg van al het andere, dat op andere wijzen in hem was opgenomen. Want wel wist ik dit, dat alles wat in hem was, gelijkelijk deel kreeg aan eeuwige heerlijkheid en volkomen vrede. Maar ik wou zo in hem alleen blijven. Dat verkreeg ik toen ik het vroeg en zozeer begeerde en zo moeilijk missen kon: ik bleef vrij. Dat wil zeggen: ik bleef de zijne, van hem de man, in liefde. Maar mijn vrijheid die ik won werd mij daarenboven gegeven om redenen die hij niet had, noch ook veel mensen.
Dit wierp ik niet tegen omdat ik op hem iets vooruit wou hebben; maar toen ik inzicht in de waarheid omtrent Gods naam had wou ik niet van hem voor zoveel hij mens was troost of verlichting van mijn moeiten aannemen, en zo wou ik ook niet genoegen nemen met de zekerheid die mij daar in de eenheid met de heilige Augustinus verschenen was. Want ik ben een vrij mens en ook voor een deel rein, en ik mag met mijn wil vrijelijk begeren en zo willen als ik wil, en van God al wat hij is verkrijgen en aanvaarden zonder dat hij weerspreekt of toornt. Geen heilige mag zo willen. Want heiligen hebben hun wil volkomen naar hun behoefte en zij mogen nooit meer willen dan ze hebben. Ik heb menig groot ding, zo natuurlijk als bovennatuurlijk, gehaat, omdat ik alleen aan de liefde behoren wou, en omdat ik niet geloven kon dat enig mens hem zo hartstochtelijk liefhad als ik; ook nu nog, al weet ik het als zeker en onbetwijfelbaar (dat ook anderen God zo liefhebben) kan ik het geloven noch gevoelen, zo door de liefde ontroerd ben ik.
In veel grote wonderen behoorde ik alleen aan God in zuivere liefde en aan mijn heiligen in liefde, en daarna aan alle heiligen, aan elk naar zijn betekenis, en aan de mensen naar dat elk liefhad en wezen had en nog heeft. Ik beleefde de liefde op generlei wijs als vrede, zo zeer was ze zwaar en ongenadig over me. Omdat ik mens was, en omdat de godheid zo vreselijk is en zo ongenadig zonder erbarming eet en brandt. De ziel is in een kleine beek besloten, de diepte wordt spoedig gevuld, de dijken worden spoedig gebroken. Zo heeft de godheid de mensheid ras geheel en al in zich getrokken.
Ook de heiligen wou ik graag toebehoren. Hoewel het mij niet enkel een genoegen was dat zovelen vrede hebben opdat hij er zichzelf in genieten mocht. Want zulke vrede heeft mij vaak pijn gedaan, ja altijd wel veertigmaal pijn tegen eenmaal vreugde. Dat moest ik weten dat men hen toelachte terwijl ik weende, dat zij zich beroemen terwijl ik me beklaag, dat zij geëerd worden om hem en hij om hen in alle landen, maar ik gelasterd. Dit was mijn grootste vrede: dat hij het zo wilde. Maar zo was ze zoals ze altijd is voor hen die liefde en gemeenschap begeren en, doordat ze zo zijn, lijden zoals ik.
Mijn vrede ten opzichte van de mensen was dat ik ze liefhad, elk in het zijne, dat ik elk zijn liefs alleen geschieden liet en zijn goeds alleen geschieden, was het om zijnszelfs, was het om Gods wil, daaraan waagde ik mij niet. Maar wat ze in liefde hadden, dat had ik lief om Godswil, opdat hij ’t zich sterkte en groeien deed tot volkomenheid. Zo begeerde ik het. Dat ik liefhad wie hij liefhad, daarvan wou ik geen andere voldoening dan die.
Wat aangaat de mensen die jegens hem weinig of vreemd waren, die drukten me. Want ik was door de liefde tot hem zo belast en bevangen, dat ik kwalijk gedogen kon als iemand hem minder dan ik liefhad. De barmhartigheid wondde me ook bitterlijk, dat hij deze zo onafhankelijk en zo losliet zijn van al het goede dat hijzelf in de liefde is. Dit is mij menigmaal uiterst zwaar geweest, wanneer het mij gegaan was als Mozes door de liefde van zijn zuster en ik wou dat hij anderen de liefde gaf of ze mij afnam: ook had ik hun het graag gekocht dat hij hen liefhad en mij haatte. Ook had ik mij soms gaarne, omdat hij het niet deed, in liefde van hem afgekeerd en hen liefgehad op wie hij toornde; omdat die ellendigen de zoete innige liefde die in zijn heilige natuur woont, niet konden kennen, had ik ze o zo graag liefgehad, indien ik gekund had.
Ach, de barmhartigheid heeft mij het meeste gewond, behalve alleen de liefde. Wat is de liefde? Dat is de goddelijke kracht die voor moet gaan: aan mij doet ze zo. Want de kracht die de liefde zelf is spaart niemand in haat noch in liefde; genade wordt er nimmermeer in gevonden. Deze kracht weerhield mij wederom als ik in een ommezien alle mensen wel had willen vrijmaken anders dan waartoe hij ze verkoren had. Wanneer ik mij zo tegen hem mocht keren, dan was dat als mens schoon en vrij te zijn. Begeren mocht ik toen wat ik wilde. Maar ge- droeg ik mij omgekeerd, dan was ik schoner, en meer opgenomen in de natuur van de godheid.
Zó aangenaam heb ik als mens geleefd, dat ik in heiligen noch in mensen vrede vond. Zó ellendig heb ik geleefd, buiten de liefde, in de liefde van God en de zijnen; hierom, omdat ik van hem niet krijg wat het mijne is, wat God me niet geeft, en wat ik nochtans heb en wat het mijne blijven zal. Aldus gevoelde ik de liefde nooit dan telkens in nieuw sterven; tot dat het mijn tijd van vertroosting was, en mij God de volkomen grootheid gaf: van de liefde te weten hoe men de mensheid tot godheid liefhebben en in één natuur naar waarheid kennen zal. Dat is het beste leven, dat ooit in het rijk van God geleefd is. Deze rijke vrede gaf God mij toen het zijn tijd was.
Uit: De Vizioenen van Hadewych, in hedendaagsch nederlandsch overgebracht door Albert Verwey, Uitveverij De Sikkel, Antwerpen, 1922.