(1) God zij met u, hartelief, en moge jou troost geven en vrede in Hemzelf. Dit zeg ik nu het liefst van al: dat God je mag bijstaan met zijn vrede en jou troost geven met zijn eigen goedheid en jou mag bijstaan met de fierheid van zijn geest. Dat zal Hij zeker doen, als je Hem wilt vertrouwen en je voldoende op Hem verlaat. Ach , lieve kind, verzink met heel je ziel geheel in Hem en weg van alles dat geen minne is, wat je ook overkomt. Want talrijk zijn de tegenslagen die we krijgen, maar houden wij stand dan worden wij volwassen.

(13) Grote volmaaktheid is het alles te verdragen van alle mensen. Maar God weet het, de allergrootste volmaaktheid is het om te verdragen wat van de valse broeders komt die huisgenoten van het geloof schijnen te zijn. Ach, het is voor jou geen wonder, al doet het me pijn, dat degenen die wij uitverkoren hebben om met ons te jubileren in onze Geliefde, dat zij ons nu beginnen te hinderen en onze vriendschap verbreken om ons gescheiden te houden van elkaar. Mij vooral die zij met niemand samen willen laten. O wee, hoe onzegbaar zoet mag ik de Minne ervaren en de gaven die mij van haar toekomen. Ach, haar kan ik niets weigeren. En jij, kun jij op haar wachten en vol houden voor haar van wie men zegt dat zij alles overwint?

(28) Ach lieve, waarom heeft de Minne u nog niet geheel onderworpen en u verzwolgen in haar diepte? O wee, zoet als de Minne is, waarom werp je je er niet diep in? Waarom raak je God niet diep genoeg, in de diepte van zijn natuur die zo ondoorgrondelijk is? Zoete minne, geef je om de minne door de minne ten volle aan God: dat is nodig! Want het doet ons beiden kwaad, ja het doet jou kwaad en het valt mij te zwaar.

(37) Ach mijn lieve minne, laat je door geen enkel leed van de deugden weerhouden. Te zeer houd jij je bezig met dingen die voor jou onbelangrijk zijn. Je verspilt te veel tijd door je haastigheid, omdat je zo overhaast op alles werpt wat op je afkomt. Ik kon u er maar niet toebrengen daar maat in te houden. Wanneer ge zin hebt om iets te doen, dan ben je steeds zo haastig in de weer, alsof het schijnt dat je voor niets anders nog aandacht kunt hebben. Dat je al je vrienden troost en hulp biedt, dat zou mij lief zijn. En prima dat je het doet naar je beste vermogen, maar doe het dan zo dat jij en zij erdoor in vrede blijven. Dat zou ik graag zien gebeuren.

(49) Ik bid je en spoor je aan, bij de   ware trouw van de Minne, dat jij alles doet en laat zoals ik je bevolen heb. En dat jij omwille van ons ongetrooste leed allen die bedroefd zijn troost naar best vermogen. Bovenal draag ik je op om steeds alles wat de Minne eeuwig heeft bevolen volledig na te leven, niet gekwetst door al je vreemde zorgen en al je droefenis.