(In de vertaling van Paul Mommaers)

(1) In de rijkelijke klaarheid van de heilige Geest, dààrin beleeft de zalige ziel de feesten der verzaliging. Die feesten bestaan in heilige woorden die in hun heiligheid overeenstemmen met de heiligheid van onze Heer. Die woorden geven elke ziel die ze hoort en eigenlijk begrijpt vier dingen die helemaal heilig zijn: zij doen haar voelen, zij geven haar zoetheid, blijdschap en verzaliging. En dat alles op een werkelijk geestelijke wijze.

(10) Geeft God aan de zalige ziel de klaarheid die het haar mogelijk maakt Hem in zijn Godheid aan te zien, dan ziet zij Hem aan in zijn eeuwigheid, in zijn grootheid, in zijn wijsheid, in zijn edelheid, en ook in zijn tegenwoordigheid, in zijn uitvloeiing, in zijn heelheid. Zij ziet hoe God is in zijn eeuwigheid: God, omdat Hij uit Zichzelf de Godheid is. Zij ziet hoe God is in zijn grootheid: oppermachtig, omdat Hij uit Zichzelf de oppermacht is. Zij ziet hoe God is in zijn wijsheid: (20) verzaligd, omdat Hij uit Zichzelf de verzaliging is. Zij ziet hoe God is in zijn edelheid: klaar, omdat Hij uit Zichzelf de klaarheid is. Zij ziet hoe God is in zijn tegenwoordigheid: lieflijk, omdat Hij uit Zichzelf de lieflijkheid is. Zij ziet hoe God is in zijn uitvloeiing: rijkelijk, omdat Hij uit Zichzelf de rijkheid is. Zij ziet hoe God is in zijn heelheid: een weelde, omdat Hij uit Zichzelf de weelde is. In al deze eigenschappen ziet zij God aan als de Ene, maar in elk ervan ziet zij God eveneens aan als de menigvuldige goddelijke rijkheid.

(30) Is de ziel in deze beschouwing opgenomen, dan moet ze rustig van hart blijven, welke overigens ook haar uitwendige toestand is. De zachte ziel die in haar grote ontreddering de Heer op zijn woord met Minne verwacht heeft – haar Heer heeft ook haar hart verlicht en in die klaarheid is zijn volledige openbaring haar te beurt gevallen – die ziel nu spreekt in haar feestvreugde, en van verrukking zegt zij: “Wat anders valt mij te beurt dan God? God is mij tegenwoordig. God vloeit naar mij toe. God is van mij in zijn (40) heelheid. In de Zoon is God mij tegenwoordig met zijn lieflijkheid, in de heilige Geest vloeit God naar mij uit met zijn rijkheid, in de Vader is God in zijn heelheid van mij met zijn verzaliging. Op die manier is God van mij: in de drie Personen één Heer en één Heer in de drie Personen, maar in de drie Personen is Hij voor mijn ziel eveneens de menigvuldige goddelijke rijkheid”.

(48) En deze zelfde ziel zegt nog het volgende: “De ziel die met God wandelt in zijn tegenwoordigheid, spreekt (50) graag over zijn tederheid, zijn lieflijkheid, zijn grootheid. De ziel die nog verder met God wandelt voor zover Hij uitvloeiing is, spreekt graag over zijn Minne, zijn verzaliging, zijn edelheid. De ziel die nog verder met God wandelt voor zover Hij heelheid is, spreekt graag over de hemelse rijkheid, de hemelse blijdschap, de hemelse weelde. De zalige ziel die met dit alles in God wandelt en met God in dit alles, (60) kent allerlei gaven. Zij is een heerseres en zij wordt verzaligd met dezelfde zaligheid als God zelf in zijn goddelijke rijkheid – Hij is de eeuwige Heer, Hij is alle goed, Hij is God, Hij heeft alle dingen gemaakt.

(65) God is grootheid en oppermacht en wijsheid. God is goedheid en tegenwoordigheid en lieflijkheid. God is subtielheid en edelheid en weelde. God is verheven in zijn grootheid en volmaakt in zijn oppermacht en (70) verzaligd in zijn wijsheid. God is het wonder in zijn goedheid en Hij is de heelheid in zijn tegenwoordigheid en de blijdschap in zijn lieflijkheid. God is waarachtig in zijn subtielheid en een weelde in zijn edelheid en een en al overvloed in zijn weelde. Zodoende is God in de drie Personen bij Zichzelf, in de menigvuldigheid van de goddelijke rijkheid: God is verzaligde zaligheid, Hij bestaat door zijn oppermacht in zijn wonderbaar verheven rijkheid”.

(80) Dat zijn de woorden die in de verzaligde ziel opwellen vanuit Gods fijnheid. En wat is dat, de fijnheid Gods? Dat is het wezen van de Godheid in de eenheid, de eenheid in de heelheid, de heelheid in de openbaring, de openbaring in de heerlijkheid, de heerlijkheid in de genieting, de genieting in de eeuwigheid. Al de gaven Gods zijn wel fijn, maar hij die begrijpt hoe dit alles is waar het in God is en in de Toon der tronen en in de (90) rijkheid van de hemelen, die bezit de fijnheid zelf van de gaven. Wie hieromtrent iets wil zeggen, die moet met de ziel spreken.

(93) God woont verzaligd te midden van zijn glorie. Daar is Hij in Zichzelf, onuitsprekelijk van goedheid en rijkheid en wonderlijkheid. Maar God heeft Zichzelf binnen Zichzelf ook uitgesproken, in volle vreugde tot vreugde van zijn schepselen. Omdat dit God is, (100) daarom zijn hemel en aarde vol van God voor hem die zo geestelijk zou zijn dat hij God zou kunnen ervaren.

(101) En de zalige ziel keek met God naar God: zij zag God als zijnde geheel én uitvloeiend. Zij zag God uitvloeien terwijl Hij geheel blijft en geheel blijven terwijl Hij uitvloeit. En in de heelheid die nu de hare was, sprak zij en zei: “God is een grote Heer in eeuwigheid, en in zijn Godheid bezit Hij dat wat Hij is in de drie Personen. In zijn oppermacht is Hij de Vader, in zijn kenbaarheid de Zoon, in zijn heerlijkheid de heilige Geest. (110) God geeft in de Vader, Hij maakt kenbaar in de Zoon, Hij doet smaken in de heilige Geest. God werkt oppermachtig in de Vader, kenbaar in de Zoon, subtiel in de Heilige Geest. Op die manier werkt God in de drie Personen als één Heer en als één Heer in de drie Personen. En in de drie Personen werkt Hij zijn menigvuldige goddelijke rijkheid en met zijn menigvuldige goddelijke rijkheid werkt Hij in de ziel die hij verzaligt. En die ziel heeft Hij in het geheim van zijn Vader binnengeleid, (120) en Hij brengt ze tot de volledige verzaliging.”

(121) Tussen God en de zalige ziel die God met God geworden is, heerst een geestelijke liefde. En wanneer God deze geestelijke liefde in de ziel openbaart, dan rijst in haar een tedere vriendschap. Dat betekent: zij voelt in haarzelf hoe God haar vriend is, vóór elke ontreddering en in elke ontreddering en door elke ontreddering heen. Inderdaad, door alle ontreddering heen brengt Hij haar tot in de trouw van zijn Vader. In deze tedere vriendschap rijst een hoog (130) vertrouwen. In dit hoge vertrouwen rijst een gerechtige lieflijkheid. In deze gerechtige lieflijkheid rijst een waarachtige blijdschap. In deze waarachtige  blijdschap rijst een goddelijke klaarheid. Op die manier ziet zij én zij ziet niet. Zij ziet een eigenlijke, een uitvloeiende, een gehele waarheid, die God zelf is in eeuwigheid. Daar blijft zij staande: God geeft en zij ontvangt. En wat zij dan ontvangt aan waarheid, aan geestelijkheid, aan tederheid, aan (140) wonderen, dat kan niemand meegedeeld worden. En zij moet in stilte blijven, in de vrijheid van die verzaliging. Wat God op dat ogenblik tot haar spreekt van hoge geestelijke wonderen, dat weet niemand dan God die het haar geeft en de ziel die zoals God geestelijk is boven alle geestelijkheid.

(146) Een mens zei, in God, het volgende: “Mijn ziel is helemaal verscheurd door het geweld van de eeuwigheid, en zij is helemaal weggesmolten door de vriendschap van de Vaderlijkheid, en zij is helemaal weggevloeid door de (150) grootheid van God. Die grootheid is zonder maat. En het hart van mijn hart is een rijke rijkheid. Die rijkheid die God de Heer is in zijn eeuwigheid”.

(153) Een ziel zei, in de vrienschap Gods, het volgende: “Ik heb gehoord de stem der verzaliging, ik heb gezien het land der klaarheid, ik heb gesmaakt de vrucht der blijdschap. Sinds dat gebeurd is, stonden al de zinnen van mijn ziel gespannen naar hoge geestelijke wonderen en al de gebeden die ik doe, zijn (160) steeds besloten in een lieflijk vertrouwen, dat God zelf is in zijn werkelijke waarheid. Omdat dit zo is, daarom ben ik mateloos verzaligd met deze verzaliging als God in zijn Godheid”.

(164)God vloeit met zijn heiligheid over alle heiligen heen in zijn eigen Vaderlijkheid. En van daaruit geeft Hij zijn allerliefste kinderen een nieuwe rijkdom, die helemaal met heerlijkheid vervuld is. Omdat God zo is, daarom vermag Hij – vandaag en morgen (170) en altijd – nieuwe rijkdommen te geven waarvan nooit gehoord werd, tenwij dan door de Personen, aan wie ze door Hemzelf in zijn eeuwigheid meegedeeld zijn. God is in zijn Personen en Hij is in zijn eigenschappen. Door zijn eigenschappen is God eindeloos boven alles en eindeloos onder alles en eindeloos om alles heen. God is te midden van zijn Personen en daar vervult Hij al zijn eigenschappen met goddelijke rijkheid. Zodoende is God in de Personen bij Zichzelf, en dat in menigvuldige goddelijke rijkheid. Iets van God, dat is God, en (180) daarom brengt God, bij de minste gave die Hij geeft, al zijn eigenschappen in beweging. Inderdaad, iets van God, dat is God zelf. Hij blijft namelijk in Zichzelf. Gods rijkdommen zijn menigvuldig, maar God is menigvuldig in de eenheid én eenvoudig in de menigvuldigheid. Omdat God zo is, daarom worden al zijn kinderen verzaligd, en het ene kind is wel zaliger dan het andere, maar toch zijn al zijn kinderen verzaligd.

(188) De zalige ziel deelt geestelijk inzicht mee vanuit de Minne en verheven dingen vanuit de waarheid en machtige dingen vanuit de rijkheid. Want uit de volheid van zijn Godheid geeft God haar Minne en waarheid en rijkheid. God geeft namelijk Minne én het inzicht, waarheid én de beschouwing, rijkheid én de genieting.

(196) Een ziel sprak, in de tegenwoordigheid Gods, het volgende: “Eén God is er van alle hemelen, en de hemelen zijn ontsloten. En de eigenschappen van deze grote God schijnen in de harten van zijn vertrouwden, met (200) tederheid en met lieflijkheid en met blijheid. En dan wordt de zalige ziel tot geestelijke dronkenschap gebracht: daarin moet ze zich verlustigen en zich voegen naar de zoetheid die zij van binnen gevoelt. Niemand verwijt haar dit, want zij is Gods kind en zij is verzaligd.”

(207) Een andere ziel wordt door mijn ziel nog meer verzaligd genoemd. De ziel namelijk die door de waarheid en door de edelheid en door de klaarheid en (210) door de hoogheid geleid wordt tot in een verzaligde stilte. En in die verzaligde stilte hoort ze een groot geruis, dat komt van het wonder dat God zelf is in eeuwigheid. Beide zielen zijn kinderen Gods en zij worden in dit leven verzaligd. Wie in God zo ver gekomen is, dat hij de Minne heeft en door de goddelijke waarheid met inzicht handelt, die wordt vaak verzaligd met dezelfde zaligheid als God. Want zoveel als hij met het inzicht kan aanzien, (220) zoveel mint hij met de Minne. En zoveel als hij met de Minne kan minnen, zoveel ziet hij aan met het inzicht. En vaak is hij met de Minne én met het inzicht in de rijkheid Gods aan het werk. En dat is een hoge verzaliging. Wie zo lang in God gebleven is, dat hij dergelijke wonderen begrijpt, namelijk hoe God is in zijn Godheid, die lijkt dikwijls, in het oog van de godvruchtige mensen die dit niet kennen, ongodsdienstig omdat hij zo vergoddelijkt is, onstandvastig (230) omdat hij zo standvastig is en onwetend omdat hij wéét.

(231) Ik zag God als God en de mens als mens. En op dat ogenblik verwonderde het me niet dat God God was en de mens mens. Daarna zag ik God als mens en ik zag de mens vergoddelijkt. En op dat ogenblik verwonderde het me niet dat die mens verzaligd was in God. Ik zag hoe God de alleredelste mens in de ontreddering de zin ervan liet zien én in de ontreddering die zin benam. En waar Hij hem de zin benam, daar gaf Hij hem het allerscherpste inzicht onder al wat inzicht heet. Op het ogenblik dat ik (240) dát zag, vond ik voor alle ontreddering mijn troost in God.

(242) Een ziel sprak, in de rijkheid Gods, het volgende: “Goddelijk inzicht en volkomen ootmoedigheid, dáárin bestaat de grote verzaliging in de klaarheid van de Vader, en de grote volmaaktheid in de waarheid van de Zoon, en de grote verlustiging in de zoetheid van de heilige Geest. Sinds de heiligheid Gods mij deed zwijgen, sindsdien heb ik veel gehoord. En het vele dat ik sindsdien gehoord heb waarom hield ik dat voor mij? Wat ik voor mij hield, dat heb ik (250) niet zonder reden voor mij gehouden. Zowel vóór als na dat horen hield ik alles voor mij. Zo komt het dan dat ik zwijg en rust in God, tot op het ogenblik dat Gód mij gebiedt te spreken. Ik heb al mijn onderscheidmakende kennis geheeld, en ik heb me heel mijn heelheid eigen gemaakt, en ik heb heel mijn eigenheid in God besloten gehouden, tot op het ogenblik dat er iemand komt met zulk een onderscheidmakende geest, die mij dan vraagt wat ik bedoel. En op dat ogenblik voel ik met God in God dat ik des te meer van Hem (260) onderscheiden ben naarmate ik moet spreken. En daarom zwijg ik zachtjes.”

(262) Een ziel sprak, in de vrijheid Gods, het volgende: “Ik begreep alle onderscheid in één heelheid. En toen bleef ik mij verlustigen in het paleis des Heren, en ik liet zijn dienaren zijn rijk beheren. Ach, op dat ogenblik vloeiden al de landstreken van de landen samen in het Land. Dat noemde ik de tijd der verzaliging. Toen bleef ik staan boven alles en te midden van alles, en toen keek ik boven alles uit in de heerlijkheid zonder einde.”

(Uit: De brieven van Hadewijch; [moderne Nederlandse vertaald en inleiding door] Paul Mommaers. Averbode: Altiora; Kampen: Kok, 1990, p. 218-233. (Cahiers voor levensverdieping; nr. 55).